Wie vertelt Kaapverdië?

Een histories, culturele en filosofische ontdekkingsreis door eilanden, Afrika, slavernij, kolonialisme, taal, religie, muziek, migratie, diaspora en toekomst

Door Joy Enait

Met Maleek als persoonlijke aanleiding voor de reis

Verdiepte onderzoekseditie • herziening eerste bewoners en Portugese vestiging • 15 september 2026

Historische feiten en auteursinterpretatie worden bewust van elkaar onderscheiden.

 

 

Een jaar onderzoek — persoonlijke aanleiding

Dit boek is het resultaat van ongeveer één jaar onderzoek. In dat jaar heb ik voornamelijk informatie verzameld uit veel verschillende bronnen: historische en wetenschappelijke publicaties, officiële instellingen, archieven, statistieken en culturele bronnen. Ik heb die informatie gelezen, vergeleken en samengevoegd om een zo breed mogelijk beeld van Cabo Verde te krijgen. Tegelijk wil ik als Joy Enait ook mijn eigen interpretaties en vragen delen. Daarom maak ik in dit boek bewust onderscheid tussen historische feiten, discussie in de bronnen en mijn persoonlijke duiding.

De reden voor deze zoektocht is persoonlijk. Ik heb zelf een Surinaamse achtergrond en ben trots op mijn Surinaamse roots. Eerder schreef ik het essayboek Wie vertelt Suriname? De moeder van mijn zoon heeft Kaapverdische wortels, waardoor mijn zoon zowel Surinaamse als Kaapverdische roots draagt en in Rotterdam opgroeit. Dat bracht mij ertoe om mij ook te verdiepen in het land waar een deel van zijn familiegeschiedenis ligt. Na Suriname was Cabo Verde voor mij daarom aan de beurt: niet om namens Kaapverdianen te bepalen wat hun geschiedenis betekent, maar om te leren, bronnen bij elkaar te brengen en vervolgens als Joy Enait mijn eigen gedachten over die geschiedenis te delen.

Deze uitgave is daarmee zowel een onderzoeksreis als een persoonlijk essay. De historische informatie is afkomstig uit de geraadpleegde bronnen; de passages die als Joy Enait-filosofie zijn gemarkeerd geven mijn eigen interpretatie weer. Ik wil die twee lagen naast elkaar laten bestaan: zorgvuldig onderzoeken wat bekend is, en tegelijk open zijn over de vragen en betekenissen die ik daar zelf als vader, Rotterdammer en schrijver uit haal.

 

 

Voorwoord — Dit boek begon bij mijn zoon

VERDIEPTE BEELDEDITIE — uitgebreidere hoofdstukken, beeldkaders en historische beeldbronnen

Dit boek begon voor mij niet bij Portugal. Het begon bij mijn zoon.

Mijn naam is Joy Enait. Mijn eigen familiegeschiedenis is verbonden met Suriname. Mijn zoon Maleek draagt daarnaast Kaapverdische wortels. Daardoor kwam er een nieuwe vraag mijn leven binnen: wat betekent het om een geschiedenis aan je kind door te geven die niet volledig jouw eigen familiegeschiedenis is, maar die wel deel wordt van jouw verantwoordelijkheid als vader?

Ik wil Cabo Verde daarom niet alleen leren kennen als vakantiebestemming, niet alleen door Cesária Évora, niet alleen door Portugal en ook niet alleen door slavernij. Ik wil begrijpen hoe een archipel van vulkanische eilanden in de Atlantische Oceaan uitgroeide tot een samenleving met een eigen taal, muziek, religieuze geschiedenis, migratiecultuur, regionale verschillen en een enorme diaspora.

De Joy Enait-filosofie begint met een eenvoudige maar ongemakkelijke vraag: wie vertelt het verhaal? Wie bepaalt waar een geschiedenis begint? Wie krijgt een naam? Welke kennis wordt als serieus gezien? Welke woorden komen van de staat, welke uit de gemeenschap, en welke zijn later door mensen zelf opnieuw ingevuld?

Voor Cabo Verde betekent antikoloniaal vertellen iets anders dan voor Suriname. Voor zover het huidige historische en archeologische bewijs reikt, waren de eilanden vóór de Portugese vestiging niet permanent bewoond. Een antikoloniale benadering mag dat feit niet vervangen door een mooier verhaal. Zij moet juist vragen wat er vóór de vestiging wél was: geologie, oceaan, klimaat, ecologie, Atlantische routes en Afrikaanse kusten — en vervolgens onderzoeken hoe uit een koloniale ontmoeting een nieuwe Kaapverdische samenleving ontstond. [1][2]

Dit boek is daarom geen zoektocht naar een zogenaamd zuiver Kaapverdië. Het is een zoektocht naar wording. Naar de manier waarop mensen uit geweld, dwang, handel, liefde, familie, geloof, taal, vertrek en terugkeer een samenleving hebben gemaakt die niet gereduceerd kan worden tot Portugal en evenmin tot één Afrikaanse oorsprong.

Joy Enait-filosofie
Een identiteit hoeft niet duizenden jaren oud te zijn om echt te zijn. De geschiedenis van Cabo Verde laat zien dat een volk kan ontstaan uit ontmoeting, ongelijkheid, vermenging, aanpassing en culturele creativiteit. De taak van een antikoloniale verteller is niet om een nieuwe mythe te bouwen, maar om macht en menselijke agency tegelijk zichtbaar te maken.

Onderzoeksverantwoording

Deze onderzoekseditie combineert historische, taalkundige, demografische en erfgoedbronnen. Voor kernfeiten is waar mogelijk gebruikgemaakt van officiële Kaapverdische instellingen, UNESCO, het Instituto Nacional de Estatística van Cabo Verde, het Nederlandse CBS, het Stadsarchief Rotterdam en wetenschappelijke publicaties.

De passages die expliciet als “Joy Enait-filosofie” zijn gemarkeerd, zijn auteursinterpretatie. Zij dienen niet als onafhankelijke historische bewijsbron. Controversiële onderwerpen — bijvoorbeeld de precieze oorsprong van het Kaapverdisch Creools, regionale rivaliteiten of interpretaties van het dekolonisatieproces — worden daarom als discussie of onderzoeksvraag geformuleerd en niet als onbetwist feit.

Voor de Nederlandse migratiegeschiedenis is extra aandacht besteed aan Rotterdam. Oudere CBS-publicaties zijn waardevol omdat zij de eerste en tweede generatie afzonderlijk beschreven en migratiemotieven, arbeid en sociale positie onderzochten. Tegelijkertijd zijn begrippen als “allochtoon” en oude generatieterminologie tegenwoordig deels verlaten. In deze tekst worden zulke oudere termen alleen gebruikt wanneer ze nodig zijn om historische statistieken uit de oorspronkelijke bron te begrijpen. [12][13]

Centrale onderzoeksvragen

  1. Hoe ontstond een Kaapverdische samenleving op eilanden die vóór de Portugese vestiging geen permanente menselijke bevolking hadden?
  2. Hoe veranderden slavernij, Atlantische handel, koloniale machtsverhoudingen en Afrikaanse en Europese culturele praktijken elkaar?
  3. Hoe groeide Kriolu uit tot een centrale drager van Kaapverdische identiteit terwijl Portugees institutioneel dominant bleef?
  4. Hoe ontwikkelden de tien eilanden verschillende sociale, economische en culturele profielen?
  5. Welke plaats hadden christendom, volksreligiositeit, muziek, eten en familie in het koloniale en postkoloniale leven?
  6. Hoe beïnvloedden droogte, hongersnood, zeemanschap en emigratie het nationale karakter?
  7. Hoe ontstond de Kaapverdische gemeenschap in Nederland en waarom werd Rotterdam — en vooral de omgeving van Delfshaven — zo belangrijk?
  8. Hoe veranderden sociale positie, onderwijs, werk, identiteit en familieverhoudingen tussen migratiegeneraties?
  9. Hoe kunnen Maleek en andere jonge mensen in de diaspora meerdere geschiedenissen dragen zonder gedwongen te worden één “zuivere” identiteit te kiezen?
  10. Hoe zijn Cabo Verde en het huidige Guinee-Bissau historisch met elkaar verbonden geraakt via slavernij, handel, koloniale administratie, PAIGC en het latere project van Afrikaanse samenwerking?

 

 

Inhoud in hoofdlijnen

DEEL I — CABO VERDE VÓÓR CABO VERDE

DEEL II — TIEN EILANDEN, TIEN WERELDEN

Kaart — de archipel van Cabo Verde

De ligging van de eilanden helpt zichtbaar maken waarom Barlavento en Sotavento, havenroutes en eilandverschillen zo belangrijk werden.
Bron: Wikimedia Commons / topografische kaart van Cabo Verde, geraadpleegd 16 september 2026.

 

DEEL III — PORTUGESE VESTIGING, SLAVERNIJ EN CREOOLSE SAMENLEVING

DEEL IV — TAAL, GELOOF, ETEN EN MUZIEK

DEEL V — DROOGTE, HONGER EN EEN CULTUUR VAN VERTREK

DEEL VI — AMÍLCAR CABRAL, ANTIKOLONIALISME EN ONAFHANKELIJKHEID

DEEL VII — BARLAVENTO, SOTAVENTO, BADIU EN SAMPADJUDU

DEEL VIII — HET ELFDE EILAND — NEDERLAND EN ROTTERDAM

DEEL IX — MALEEK, DIASPORA EN DE TOEKOMST

 

 

DEEL I — CABO VERDE VÓÓR CABO VERDE

Hoofdstuk 1 — Eilanden vóór mensen

Cabo Verde ligt in de Atlantische Oceaan voor de West-Afrikaanse kust. De geschiedenis van de archipel begint geologisch lang vóór enige menselijke samenleving: vulkanisme, wind, oceaanstromingen, droogte en erosie vormden eilanden met zeer verschillende landschappen.

De Portugese overheid beschrijft de eilanden als in de vijftiende eeuw door Portugese zeevaarders aangetroffen zonder aanwijzingen voor eerdere permanente menselijke aanwezigheid; Santiago werd vanaf 1462 gevestigd. [1] Kaapverdische schoolliteratuur beschrijft eveneens dat de duurzame bevolking zich pas geleidelijk over de eilanden verspreidde. [3]

Dat betekent niet dat wij alles over de zee vóór 1460 weten. Het betekent wel dat wij het onderscheid moeten bewaken tussen mogelijke eerdere kennis, tijdelijke passage en aantoonbare permanente bewoning. Een antikoloniale geschiedenis wordt niet sterker door onzekerheid als zekerheid te presenteren.

Joy Enait vraagt
Als een eiland nog geen permanente menselijke bevolking heeft, heeft het dan al geschiedenis? De Joy Enait-filosofie antwoordt: ja. Niet omdat wij er een verzonnen volk moeten plaatsen, maar omdat landschap, ecologie en ligging mede bepalen welke samenleving later mogelijk wordt.

Hoofdstuk 2 — Afrika is dichtbij, maar Cabo Verde wordt niet één Afrikaanse kopie

De geografische nabijheid van West-Afrika werd vanaf het begin van de vestiging beslissend. De eerste permanente bevolking ontstond niet doordat een bestaand “Kaapverdisch volk” naar de eilanden verhuisde. Het begon als een door Portugal georganiseerd kolonisatieproject met een kleine groep Europese kolonisten op Santiago, waarna Afrikaanse mensen uit Opper-Guinee al vroeg onder dwang naar de eilanden werden gebracht. Ook vrije Afrikanen en Luso-Afrikaanse tussenpersonen maakten deel uit van de groeiende Atlantische wereld rond Santiago. Zo werd de archipel geen kopie van Portugal, maar de plaats waar onder zeer ongelijke omstandigheden een nieuwe samenleving ontstond. [30][43][45]

Het woord Creools moet hier niet worden gelezen als “minder Afrikaans” of “half-Europees”. Het wijst op het ontstaan van nieuwe culturele vormen in een koloniale contactwereld. Taal, voedsel, religie, muziek en sociale relaties kregen in de archipel een eigen ontwikkeling.

 

 

DEEL II — TIEN EILANDEN, TIEN WERELDEN

Cabo Verde bestaat uit tien grotere eilanden. Negen zijn permanent bewoond; Santa Luzia is tegenwoordig onbewoond. Traditioneel worden de eilanden ingedeeld in Barlavento (bovenwinds) en Sotavento (benedenwinds). Die geografische indeling kreeg ook culturele betekenis, maar mag niet worden verward met twee homogene blokken.

Beeldkader — drie landschappen, drie eilandgeschiedenissen

Santo Antão, Sal en Fogo tonen hoe sterk reliëf, droogte en vulkanisme de economie en het dagelijks leven per eiland uiteen laten lopen.
Bronnen: Wikimedia Commons-beeldmateriaal zoals afzonderlijk verantwoord in deze editie.

Hoofdstuk — Santo Antão: bergachtig, landbouw, valleien en emigratie

Santo Antão — berglandschap

Het steile landschap van Santo Antão vormt de achtergrond van landbouw, dorpsleven, mobiliteit en emigratie.
Bron: Wikimedia Commons, beeldselectie Santo Antão, geraadpleegd 16 september 2026.

 

Santo Antão ontwikkelde zich als een sterk agrarisch eiland met diepe valleien en grote lokale verschillen. Historisch stimuleerden droogte, beperkte economische kansen en relaties met de haven van Mindelo migratie. Voor de Nederlandse geschiedenis is het eiland bijzonder belangrijk: onderzoek naar de Kaapverdische diaspora in Rotterdam beschrijft vroege zeelieden uit vooral Santo Antão, São Vicente en São Nicolau. [14]

Een “eiland van herkomst” blijft in diaspora vaak langer bestaan dan op de kaart. Verenigingen in Rotterdam droegen namen van eilanden en gebruikten herkomst als sociaal herkenningspunt. [15]

Verdieping — landschap, landbouw en migratie

Santo Antão is niet één landschap. De vochtige valleien en berghellingen in het noordoosten verschillen sterk van drogere zones elders op het eiland. Juist die microklimaten maakten uiteenlopende landbouw mogelijk: suikerriet, bananen, koffie, groenten en fruit werden in verschillende valleien verbouwd. Grogue, gedistilleerd uit suikerriet, werd niet alleen een product maar ook onderdeel van lokale economie, familiebedrijf en identiteit.

De geschiedenis van Santo Antão is bovendien nauw verbonden met verplaatsing. Mensen trokken naar São Vicente en Mindelo voor havenwerk, onderwijs en verbinding met scheepvaart; anderen vertrokken naar São Tomé, Europa of later Nederland. Daardoor kan een familie tegelijkertijd een sterke Santo-Antão-identiteit dragen en generaties lang buiten het eiland wonen.

Ook na 1975 bleef het eiland politiek relevant. Historisch onderzoek naar de eenpartijperiode laat zien dat landhervorming, lokaal bestuur en teleurstelling over de postkoloniale staat op Santo Antão tot stevige oppositie konden leiden. Daarmee wordt duidelijk dat antikolonialisme niet betekent dat de postkoloniale staat automatisch buiten kritiek staat. [42]

Hoofdstuk — São Vicente: Mindelo, Porto Grande, kosmopolitisme en muziek

São Vicente / Mindelo — zee, haven en stedelijke cultuur

São Vicente werd in de negentiende eeuw sterk gevormd door de zee, Porto Grande, internationale scheepvaart en migratie.
Bron: Wikimedia Commons, beeldselectie Mindelo/São Vicente, geraadpleegd 16 september 2026. Zie ook Wikimedia Commons, categorie Mindelo.

 

São Vicente werd relatief laat duurzaam bevolkt. De ontwikkeling van Porto Grande en Mindelo in de negentiende eeuw trok mensen van naburige eilanden en internationale scheepvaart aan. De haven maakte het eiland tot een schakel tussen Cabo Verde en de wereld en verklaart mede waarom zeemanschap zo belangrijk werd voor de latere Rotterdamse migratie. [16]

Mindelo werd een cultureel centrum waarin morna, literatuur, havenleven en internationale contacten samenkwamen. Het is ook de stad die in veel diaspora-herinneringen als vertrekpunt naar Rotterdam verschijnt.

Van veeeiland naar echte nederzetting

São Vicente werd al in 1462 door Portugese zeevaarders in kaart gebracht, maar bleef daarna meer dan drie eeuwen zonder duurzame stedelijke bevolking. De droogte en het gebrek aan zoet water maakten landbouw moeilijk. Het eiland werd vooral gebruikt als weidegebied voor vee van eigenaars op naburige eilanden. Portugal wilde São Vicente echter niet onbezet laten: de baai van Porto Grande had strategische waarde en een permanent bewoond eiland was beter te controleren en te verdedigen tegen zeerovers en buitenlandse inmenging. In 1781 gaf de Portugese Kroon daarom opdracht tot bevolking van het eiland. De eerste pogingen leverden weinig op. [16][47]

De beslissende georganiseerde vestigingspoging kwam in 1795. João Carlos da Fonseca Rosado, een in Portugal geboren koopman die op Fogo actief was, kreeg van het koloniale bestuur de opdracht een nederzetting op São Vicente op te bouwen. Bronnen noemen ongeveer twintig Kaapverdische echtparen, tientallen tot slaaf gemaakte mensen en Rosado zelf met zijn gevolg. De koloniale overheid bood privileges, belastingvrijstellingen, land en materiële steun om mensen ertoe te bewegen zich op het droge eiland te vestigen. De kleine nederzetting aan Porto Grande werd Nossa Senhora da Luz genoemd. [16][47]

Dit betekent dat de eerste duurzame bevolking van São Vicente niet simpelweg uit “Portugezen” bestond. Er waren mensen die al op andere Kaapverdische eilanden waren geboren, mensen met Afrikaanse en gemengde afkomst, tot slaaf gemaakte mensen en personen die rechtstreeks of via andere eilanden met Portugal verbonden waren. Zij brachten bovendien al een Kaapverdische Creoolse taal en cultuur mee. São Vicente werd dus niet vanaf nul cultureel Portugees gemaakt; het werd bevolkt door mensen uit een archipel waar al ruim drie eeuwen een Creoolse samenleving bestond. [47]

Santo Antão, Fogo en nieuwe migratiestromen

De eerste nederzetting bleef klein en kwetsbaar. In 1819 telde São Vicente nog maar ongeveer 120 inwoners. Gouverneur António Pusich bracht vervolgens tientallen families uit Santo Antão naar het eiland om de bevolking te vergroten. In de daaropvolgende decennia bleven vooral Santo Antão en São Nicolau belangrijke leveranciers van arbeiders en gezinnen; ook mensen uit Fogo, Boa Vista en andere eilanden trokken naar Porto Grande. Daardoor werd São Vicente vanaf het begin een eiland dat door interinsulaire migratie werd opgebouwd. [16][47][48]

De echte ommekeer kwam vanaf 1838, toen Britse ondernemingen Porto Grande begonnen te gebruiken voor de bevoorrading van stoomschepen met steenkool. De haven trok arbeiders, kooplieden, zeelieden, ambtenaren, handwerkslieden en ondernemers aan. Naast Kaapverdianen kwamen er Portugezen van het vasteland, mensen uit Madeira en de Azoren en buitenlanders, vooral Britten maar ook Italianen, Noord-Afrikaanse Joden en anderen. In 1879 telde São Vicente duizenden Kaapverdiaanse inwoners en daarnaast een opvallende buitenlandse gemeenschap. Mindelo werd daardoor één van de meest kosmopolitische steden van de Portugese koloniale wereld in West-Afrika. [47][48]

Menging: zwarte en gemengde vrouwen, Europese mannen en nieuwe families

Bij deze bevolkingsgeschiedenis hoort ook raciale en sociale vermenging. Taalkundig en historisch onderzoek naar São Vicente noemt intensieve vermenging als één van de kenmerken van de jonge eilandmaatschappij. De toestroom van Portugese mannen, mannen uit Madeira en de Azoren, gedeporteerden uit Portugal, buitenlandse zeelieden en havenpersoneel kwam terecht in een bevolking die voor een groot deel al Afrikaans of Afro-Kaapverdiaans was. Relaties ontstonden daarom ook tussen zwarte of gemengde Kaapverdische vrouwen en witte Portugese of andere Europese mannen. Zulke relaties konden huwelijk, samenwonen, kortdurende relaties, buitenechtelijke relaties of machtsongelijke koloniale verhoudingen omvatten. [47]

Het is belangrijk dit niet romantisch voor te stellen. “Vermenging” zegt op zichzelf niets over gelijkwaardigheid. Kleur, bezit, koloniale status, sekse en toegang tot werk konden grote machtsverschillen veroorzaken. Tegelijkertijd zou het historisch onjuist zijn iedere relatie tussen een zwarte vrouw en een Europese man automatisch als prostitutie of dwang te beschrijven. Gezinsvorming en sekswerk waren verschillende sociale verschijnselen, ook wanneer zij zich in dezelfde havenstad afspeelden.

Vrouwen bouwden Mindelo mee op

Vrouwen stonden niet alleen aan de rand van de havenwereld. Toen Mindelo groeide, werkten vrouwen onder meer in handel, huishoudelijke arbeid, voedselverkoop en zwaar havenwerk. Historische documentatie laat bijvoorbeeld zien dat vrouwen rond 1890 steenkool op het hoofd naar de depots droegen. De ontwikkeling van Porto Grande rustte dus niet alleen op mannelijke zeelieden en havenarbeiders, maar ook op het vaak slecht betaalde en lichamelijk zware werk van vrouwen. [48]

Prostitutie in een internationale havenstad

Mindelo kreeg in de tweede helft van de negentiende eeuw ook een omvangrijke prostitutiesector. Dat hing samen met het karakter van Porto Grande: grote aantallen mannelijke zeelieden en passagiers kwamen tijdelijk aan wal, terwijl een deel van de lokale bevolking in armoede en onzeker havenwerk leefde. Historische bronnen uit de jaren 1880 en 1890 spreken over vrouwen die vanuit verschillende Kaapverdische eilanden naar Mindelo kwamen en daar sekswerk verrichtten. De koloniale overheid behandelde prostitutie vooral als een kwestie van openbare orde en volksgezondheid, in het bijzonder vanwege syfilis en andere geslachtsziekten. [48]

Vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw werd prostitutie zo zichtbaar dat de koloniale staat haar formeel probeerde te controleren. Het “Regulamento de Polícia e Sanidade da Prostituição em Cabo Verde” van 18 januari 1896 verplichtte geregistreerde prostituees tot inschrijving en medische controle. In Mindelo werden vrouwen gecontroleerd via persoonlijke boekjes en probeerden autoriteiten sekswerk naar bepaalde stadszones te verplaatsen. Deze maatregelen zeggen veel over de dubbele moraal van een koloniale havenstad: de economie profiteerde van internationale scheepvaart en de aanwezigheid van duizenden mannen, terwijl vooral vrouwen werden geregistreerd, onderzocht en geproblematiseerd wanneer seksualiteit als maatschappelijk probleem werd gezien. [48]

De geschiedenis van prostitutie moet daarom niet worden gebruikt om Kaapverdische vrouwen als groep te seksualiseren. Het gaat om een specifieke sociale geschiedenis van een internationale haven, armoede, arbeidsongelijkheid, mobiliteit en koloniale controle. Sommige vrouwen verkochten seksuele diensten; veel andere vrouwen waren arbeiders, handelaren, moeders, partners, ondernemers of huishoudelijke kostwinners. De verschillende levens mogen niet tot één stereotype worden samengevoegd.

Van koloniale haven naar Creoolse cultuurstad

Juist uit al die beweging ontstond het bijzondere karakter van São Vicente: een eiland dat laat permanent werd bevolkt maar vervolgens buitengewoon snel groeide. Mensen uit verschillende Kaapverdische eilanden, Portugezen, Britten en andere buitenlanders ontmoetten elkaar in een kleine stedelijke ruimte. Dat beïnvloedde taal, muziek, kleding, horeca, arbeidsleven en sociale omgang. De São Vicente-variant van het Kriolu draagt bijvoorbeeld sporen van de oudere Creoolse taal die kolonisten uit Fogo meebrachten, latere Barlavento-invloeden en intensiever contact met Portugees en Engels. [47]

Joy Enait-filosofie
Voor Joy Enait laat São Vicente zien waarom een cultuur niet alleen uit “oorsprong” kan worden verklaard. Het eiland had eeuwenlang vrijwel geen permanente bevolking en werd daarna opgebouwd door mensen die ergens anders vandaan kwamen. Een Kaapverdische cultuur hoeft daarom niet duizenden jaren op dezelfde grond te hebben bestaan om echt te zijn. Mindelo werd juist Kaapverdisch doordat mensen uit verschillende eilanden, klassen en achtergronden er iets nieuws vormden. Maar wie dat verhaal vertelt, moet ook de minder comfortabele kanten noemen: slavernij, kleur en klasse, ongelijke relaties, vrouwenarbeid, prostitutie, ziekte en koloniale controle horen net zo goed bij de geschiedenis van de haven als morna, kosmopolitisme en vrijheid.

Hoofdstuk — São Nicolau: landbouw, onderwijs, literatuur en zeemanschap

São Nicolau combineert rurale geschiedenis met een belangrijke intellectuele en educatieve traditie. Het eiland leverde schrijvers en migranten en was via São Vicente verbonden met internationale scheepvaart. De vroege Rotterdamse migratie bevatte ook veel mannen met wortels op São Nicolau. [14]

Juist São Nicolau laat zien dat “havenmigrant” niet hetzelfde is als “geboren in de havenstad”: mensen konden eerst tussen eilanden migreren en vervolgens vanuit Mindelo aanmonsteren.

Verdieping — onderwijs als macht

São Nicolau kreeg in de negentiende eeuw een bijzondere plaats in de intellectuele geschiedenis van Cabo Verde. Het Seminário-Liceu, geopend in 1866, combineerde religieuze vorming met onderwijs voor toekomstige geestelijken, ambtenaren en andere geschoolde elites. Het instituut bleef tot 1917 functioneren en werd een belangrijk kanaal voor sociale mobiliteit en koloniale bestuurskennis. [57]

Dat onderwijs had een dubbel karakter. Het bood Kaapverdianen toegang tot schriftcultuur, functies en intellectuele netwerken, maar gebeurde binnen een koloniaal systeem waarin Portugees, katholieke normen en Europese kennisvormen institutioneel hoger werden geplaatst. Juist daarom is São Nicolau geschikt om te vragen hoe onderwijs tegelijk emancipatie en assimilatie kan produceren.

De latere literaire cultuur van Cabo Verde — met figuren als Baltasar Lopes — kan niet los worden gezien van deze langere geschiedenis van scholing, taal en geschreven cultuur. Tegelijk bleef het eiland een bron van zeelieden en migranten, waardoor intellectuele geschiedenis en migratiegeschiedenis elkaar kruisen.

Hoofdstuk — Santa Luzia: onbewoond eiland, visserij en natuur

Santa Luzia is tegenwoordig het enige grote eiland zonder permanente bevolking. UNESCO vermeldt dat het eiland in de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw perioden van bewoning kende, maar dat latere vestigingspogingen niet standhielden. [4]

De verklaring ligt niet in één gebeurtenis. Droogte, beperkte zoetwatervoorziening, topografie, isolement en beperkte bestaansmogelijkheden maakten permanente bewoning moeilijk. Tijdelijk gebruik door vissers en andere gebruikers betekent daarom niet hetzelfde als een stabiele dorpssamenleving.

Verdieping — onbewoond betekent niet betekenisloos

Santa Luzia is een goed voorbeeld van het verschil tussen permanente bewoning en menselijk gebruik. Vissers, zeevaarders en tijdelijke bewoners maakten gebruik van het eiland en de omringende zee, ook wanneer er geen duurzame nederzetting ontstond. Watergebrek, droogte en isolement beperkten de mogelijkheden om een stabiele gemeenschap te onderhouden.

De hedendaagse status als beschermd natuurgebied voegt een nieuwe laag toe. Waar koloniale en economische logica een eiland kon beoordelen op productiviteit, vis, vee of vestigingspotentieel, wordt het nu ook gewaardeerd om biodiversiteit en ecologische kwetsbaarheid. De Joy Enait-filosofie vraagt daarom: wie bepaalt wanneer een plek “nuttig” is, en moet menselijke permanente bewoning de maatstaf zijn voor historische betekenis?

Hoofdstuk — Sal: zout, luchtvaart en toerisme

Sal — zout en droog landschap

Zoutwinning en een droog landschap behoren tot de historische en economische beeldvorming van Sal.
Bron: Wikimedia Commons, beeldselectie Sal/Cabo Verde, geraadpleegd 16 september 2026.

 

Sal bleef door zijn extreme droogte lang zonder permanente bevolking. Zoutwinning werd een belangrijke motor voor vestiging; later veranderden luchtvaart en toerisme het eiland fundamenteel. [17]

Sal is een goed voorbeeld van hoe een eilandidentiteit kan veranderen wanneer economie en internationale mobiliteit sneller veranderen dan traditionele bestaansvormen.

Verdieping — van onbewoond eiland naar industriële samenleving

Sal bleef door extreme droogte lange tijd zonder permanente bevolking. De grote omslag kwam met de commerciële exploitatie van de zoutafzettingen van Pedra de Lume. Het Kaapverdische Instituut voor Cultureel Erfgoed beschrijft hoe rond 1796 Manuel António Martins zich daar vestigde met families uit Boa Vista en tot slaaf gemaakte mannen van de West-Afrikaanse kust. Zoutwinning werd zo rechtstreeks verbonden met de daadwerkelijke bevolkingsvorming van het eiland. [58]

Rond de zoutmijn ontstond later een industriële nederzetting met een duidelijke sociale hiërarchie: arbeiders, technici en leidinggevenden woonden niet onder dezelfde omstandigheden. De mijn laat daardoor zien hoe landschap, arbeid en klasse samen een eilandgemeenschap konden vormen. [58]

In de twintigste eeuw verschoof het zwaartepunt opnieuw. De aanleg van een internationaal vliegveld vanaf 1939 maakte Sal tot knooppunt van luchtvaart; later veranderde toerisme de economie en het landschap opnieuw. Het eiland werd zo in twee eeuwen meerdere keren opnieuw “uitgevonden”: zout-eiland, luchtvaart-eiland en toerisme-eiland.

Hoofdstuk — Boa Vista: zout, veeteelt, muziek en toerisme

Boa Vista kende vroege vormen van veeteelt, zoutwinning en maritieme verbindingen. In de moderne periode werd toerisme een dominante economische factor.

De Joy Enait-filosofie vraagt hier niet alleen hoeveel toeristen een eiland ontvangt, maar wie grond, arbeid en opbrengsten controleert en hoe lokale cultuur verandert wanneer landschap een internationaal product wordt.

Verdieping — zout, slavernij en verschuivende centra

Boa Vista werd niet direct na de Portugese aankomst een dichtbevolkte kolonie. Veeteelt en tijdelijk gebruik gingen vooraf aan meer permanente vestiging. Rond 1620 ontwikkelde Povoação Velha zich in verband met zoutwinning. De exploitatie trok handel aan, waaronder Engelse commerciële betrokkenheid, maar maakte het eiland ook onderdeel van de bredere koloniale arbeidsorde waarin slavernij een rol speelde.

Door aanvallen en veranderende handelsroutes verschoof het centrum uiteindelijk richting Porto Inglês, het latere Sal Rei. Dat patroon — een eiland waarvan het economische centrum verschuift omdat zeehandel en veiligheid veranderen — laat zien dat steden geen natuurlijke hoofdsteden zijn maar historische producten.

De moderne toeristische economie vormt opnieuw een breuk. Hotels, internationale investeringen en kustontwikkeling brengen werk en infrastructuur, maar roepen ook vragen op over grond, water, seizoensarbeid en wie de economische opbrengsten ontvangt. De antikoloniale blik hoeft toerisme niet automatisch af te wijzen; zij vraagt wie zeggenschap heeft.

Hoofdstuk — Santiago: Cidade Velha, Praia, slavernij, batuku en staatsmacht

Santiago was het eerste eiland met duurzame Portugese vestiging en werd het belangrijkste vroege centrum van koloniale macht. Ribeira Grande, het huidige Cidade Velha, was nauw verbonden met Atlantische slavernij en handel. [1][2]

Santiago werd ook een kerngebied voor Kriolu en voor culturele vormen zoals batuku en tabanka. Het eiland herbergt de hoofdstad Praia en draagt daardoor een andere verhouding tot de staat dan veel perifere eilanden.

Verdieping — het eiland waar veel lijnen samenkomen

Santiago is het demografische, politieke en historische zwaartepunt van Cabo Verde, maar het eiland mag niet worden gereduceerd tot “de hoofdstad”. De eerste duurzame koloniale nederzetting ontstond hier, slavernij en Atlantische handel kregen hier vroeg institutionele vorm, en Ribeira Grande/Cidade Velha werd een centrum van kerkelijke en bestuurlijke macht.

Tegelijk ontwikkelde het platteland eigen sociale en culturele werelden. Batuku, tabanka, familieverbanden, landbouw en de Kriolu-variant van Santiago werden belangrijke dragers van identiteit. Het label Badiu kreeg juist in deze context betekenis en werd later zowel stereotype als zelfbenaming.

Met de groei van Praia verschoof politieke macht binnen het eiland én binnen de archipel. Daardoor ontstond een spanning tussen nationale centraliteit en regionale diversiteit: wanneer ministeries, universiteiten en media sterk in één stad geconcentreerd zijn, kan de ervaring van andere eilanden makkelijker als periferie worden behandeld. De Joy Enait-filosofie vraagt daarom niet alleen wie Cabo Verde vertelt, maar ook vanaf welk eiland het land wordt verteld.

Hoofdstuk — Maio: zout, veeteelt, visserij en kleine schaal

Maio werd in de zeventiende eeuw in beperkte mate bevolkt en werd gebruikt voor veeteelt en zout. [3]

Kleine eilanden verdwijnen gemakkelijk uit nationale verhalen. Een Joy Enait-benadering behandelt Maio niet als “restcategorie”, maar onderzoekt hoe kleinschaligheid, emigratie en afhankelijkheid van grotere eilanden zelf cultuur vormen.

Verdieping — zout, vee en een geschiedenis op kleinere schaal

Maio werd vanaf het einde van de zestiende eeuw duurzamer gebruikt voor veeteelt; in de zeventiende eeuw stimuleerde zoutwinning verdere bevolkingsgroei. Porto Inglês herinnert in zijn naam aan buitenlandse handelaren die het zout exporteerden. Daarmee stond ook een klein eiland midden in Atlantische handelsnetwerken.

Droogte en beperkte werkgelegenheid stimuleerden in de twintigste eeuw emigratie. Juist op Maio wordt zichtbaar dat “klein” niet betekent “historisch onbelangrijk”: een relatief kleine bevolking kan een sterke eilandidentiteit, diaspora en eigen geheugen hebben. Nationale geschiedenis moet daarom niet worden geschreven naar bevolkingsaantal.

Hoofdstuk — Fogo: vulkaan, São Filipe, landbouw en emigratie

Pico do Fogo

De vulkaan is niet alleen een geografisch monument, maar heeft ook landbouw, vestiging, risico en identiteit op Fogo gevormd.
Bron: Wikimedia Commons; Ximonic (Simo Räsänen), “Road to caldera in Fogo & Pico de Fogo 2, 2010 12.jpg”, CC BY-SA/GFDL.

 

Fogo was na Santiago een van de eerste eilanden die duurzaam werd bevolkt. De actieve vulkanische omgeving beïnvloedde landbouw, nederzetting en identiteit. [3]

Fogo heeft sterke migratieverbindingen met de Verenigde Staten. Dat herinnert eraan dat iedere diaspora-bestemming haar eigen eilandenkaart heeft: Rotterdam is historisch sterker verbonden met de noordelijke eilanden, terwijl Fogo en Brava vaker richting de Verenigde Staten oriënteerden. [18]

Verdieping — leven met een actieve vulkaan

Fogo werd vroeg in de koloniale periode bevolkt en ontwikkelde rond São Filipe landbouw, handel en een gelaagde samenleving. De vulkanische bodem bood mogelijkheden voor landbouw, maar het landschap bleef ook een bron van risico. Erupties hebben nederzettingen, landbouwgrond en herinneringen telkens opnieuw gevormd.

Koffie, wijn en andere gewassen kregen een bijzondere plaats in het eilandbeeld. Dat betekent niet dat Fogo geïsoleerd agrarisch bleef: migratie naar de Verenigde Staten, contacten met walvisvaart en diaspora-investeringen maakten het eiland onderdeel van een veel bredere Atlantische wereld.

De emigratiegeschiedenis verandert bovendien de betekenis van “thuis”. Voor veel families ligt economische zekerheid gedeeltelijk buiten Fogo, terwijl land, familiehuizen, feesten en begraafplaatsen op het eiland juist de emotionele continuïteit bewaren.

Hoofdstuk — Brava: kleinschaligheid, zeemanschap, poëzie en Amerika

Brava ontwikkelde een sterke emigratiegeschiedenis, in het bijzonder richting New England via walvisvaart en andere maritieme netwerken.

De dichter en componist Eugénio Tavares is sterk verbonden met Brava en met de literaire en muzikale geschiedenis van Cabo Verde. Het eiland maakt duidelijk hoe “vertrek” zelf een culturele traditie kan worden zonder dat verbondenheid met het eiland verdwijnt.

Joy Enait-filosofie
Een land met eilanden loopt altijd het risico dat de hoofdstad het hele land gaat vertegenwoordigen. Daarom moet Cabo Verde niet alleen vanuit Praia, Santiago of Mindelo worden verteld. Elk eiland heeft een eigen combinatie van landschap, migratie, taalvariant, muziek, economie en herinnering.

 

 

Verdieping — walvisvaart, New England en saudade

Brava ontwikkelde al vroeg sterke maritieme verbindingen met New England. Onderzoek naar de walvisvaart laat zien dat bewoners van Brava vanaf de late achttiende en vooral de negentiende eeuw betrokken raakten bij Amerikaanse walvisvaartnetwerken. Schepen, bemanningen en familiecontacten maakten emigratie geleidelijk tot een ingebedde sociale mogelijkheid. [59]

Fajã d’Água en andere havens werden daardoor plaatsen waar lokale geschiedenis en wereldgeschiedenis elkaar raakten. Wie aanmonsterde, verdiende niet alleen loon; zeelieden namen ook taal, goederen, ideeën en migratieroutes mee terug.

Eugénio Tavares staat symbool voor de literaire en muzikale verbeelding van Brava. Zijn werk maakt duidelijk dat “saudade” geen abstract Portugees woord hoeft te zijn, maar in Kaapverdische context verbonden kan worden met vertrek, oceaan, geliefden en de ervaring van een archipel waar afwezigheid deel van familiegeschiedenis werd.

DEEL III — PORTUGESE VESTIGING, SLAVERNIJ EN CREOOLSE SAMENLEVING

Hoofdstuk — 1460–1462: “ontdekking” of begin van koloniale bewoning?

In Portugese en Kaapverdische officiële geschiedschrijving worden António da Noli en Diogo Afonso verbonden met het in kaart brengen van de eilanden rond 1460–1462. [1][19] Het woord “ontdekking” is vanuit Europees perspectief begrijpelijk, maar moet kritisch worden gebruikt: het benoemt het moment waarop Europese zeevaart de eilanden in een Portugese imperiale geografie plaatste.

Omdat er geen permanente bevolking was, is dit niet hetzelfde probleem als bij kolonisatie van een reeds bewoond land. Maar ook hier verandert taal de blik. “Ontdekking” kan de indruk wekken dat een plaats pas bestaat zodra een Europese staat haar benoemt.

Hoofdstuk — Wie waren de eerste mensen die zich permanent op Cabo Verde vestigden?

Het korte antwoord is belangrijk: niemand kwam in 1462 aan als “Kaapverdiaan”. De Kaapverdische identiteit bestond nog niet. De eerste gedocumenteerde permanente samenleving op de eilanden ontstond door koloniale vestiging op Santiago en door de ontmoeting — vaak onder dwang — tussen mensen uit Europa en West-Afrika. Kaapverdianen zouden pas uit die nieuwe eilandwereld voortkomen.

De eerste Europese kolonisten

Rond 1462 begon de duurzame vestiging op Santiago. António da Noli was geen Portugees van geboorte maar een Genuees zeevaarder die in Portugese dienst werkte. Hij werd verbonden aan het zuidelijke deel van Santiago en aan Ribeira Grande, het latere Cidade Velha. Een Portugese erfgoedstudie beschrijft hoe hij naar Santiago trok met enkele familieleden, dienaren van de infante en echtparen uit de Algarve. De precieze samenstelling van de allereerste groep is niet volledig te reconstrueren, maar het beeld is duidelijk genoeg: het ging aanvankelijk om een kleine, georganiseerde kolonistengroep, niet om een massale volksverhuizing vanuit Portugal. [43]

Santiago werd gekozen omdat het binnen de archipel relatief gunstige voorwaarden bood: het was groot, had vruchtbare valleien en waterbronnen en lag strategisch tegenover de West-Afrikaanse kust. In het Portugese systeem werd kolonisatie voor een belangrijk deel gedelegeerd aan kapiteins en donatarissen. Zij moesten land bestuurbaar maken, bewoners aantrekken, handel ontwikkelen en inkomsten genereren. Bronnen verschillen op onderdelen over de precieze datering van de twee vroege kapiteinschappen, maar Ribeira Grande in het zuiden en Alcatrazes in het oosten/noorden werden de twee belangrijkste vroege vestigingspolen. [43][45]

Waarom wilde Portugal de eilanden bevolken?

Portugal wilde Cabo Verde niet bevolken uit één enkel motief. De archipel paste in een groter vijftiende-eeuws project van Atlantische expansie. Voor de Kroon waren de eilanden tegelijk een manier om een territoriale claim daadwerkelijk te bezetten, een strategische halte in de scheepvaart, een uitvalsbasis voor handel met de kust van Guinee, een bron van belastinginkomsten en een steunpunt voor Portugese politieke en christelijke invloed in de Atlantische wereld. Koning Afonso V stimuleerde de handel met Guinee juist als onderdeel van het consolideren van Portugese maritieme macht. [44]

Voor de eerste kolonisten konden de belangen anders liggen. Kapiteins, kooplieden en reders konden land, status, handelsrechten en winst zoeken. Gewone kolonisten konden hopen op een bestaan dat in Portugal moeilijker bereikbaar was. Dienaren en familieleden kwamen bovendien binnen afhankelijkheidsrelaties mee. We moeten dus oppassen met de zin “de Portugezen wilden…”, alsof iedere Europeaan met hetzelfde plan aan boord stapte. De Portugese staat bepaalde het koloniale kader; individuele mensen bewogen daarbinnen met verschillende belangen.

1466: Portugal maakte vestiging aantrekkelijk met handel

Vier jaar na het begin van de vestiging bleek hoe moeilijk het was om genoeg vrije kolonisten naar een afgelegen archipel te trekken. In 1466 gaf Afonso V de bewoners van Santiago daarom uitzonderlijke handelsprivileges: zij mochten met eigen schepen handel drijven langs grote delen van de kust van Guinee en kregen belangrijke fiscale voordelen. Daarmee werd de bevolkingspolitiek rechtstreeks gekoppeld aan West-Afrikaanse handel. De boodschap was in feite: wie zich op Santiago vestigde, kreeg toegang tot economische kansen die elders sterker door de Kroon werden gecontroleerd. [43][44]

Dat besluit veranderde de betekenis van Santiago. Het eiland werd niet alleen een plek waar mensen woonden, maar een schakel tussen Portugal, de eilanden en de West-Afrikaanse kust. Handelaren voeren heen en weer met goederen, voedsel, textiel en uiteindelijk op grote schaal ook mensen die tot slaaf waren gemaakt. De vroege bevolkingsgroei van Cabo Verde kan daarom niet los worden gezien van de ontwikkeling van de Atlantische slavenhandel. [30][45]

De eerste Afrikaanse bewoners kwamen niet met hetzelfde doel

Afrikaanse aanwezigheid op Cabo Verde was vanaf het ontstaan van de koloniale samenleving fundamenteel. Tot slaaf gemaakte Afrikanen werden al in de vijftiende eeuw vanuit de West-Afrikaanse kustwereld naar Santiago gebracht. Zij kwamen niet als kolonisten die een nieuwe kans zochten: hun verplaatsing was gedwongen. Zij werden ingezet in huishoudens, landbouw, bouw, scheepvaart, ambachten, handel en andere vormen van arbeid. Sommigen bleven op de eilanden, anderen werden na een tijdelijk verblijf verder verhandeld naar Europa of later naar andere delen van de Atlantische wereld. [45]

Die Afrikaanse bevolking was bovendien niet één homogene groep. Mensen kwamen uit verschillende samenlevingen en taalgemeenschappen van Opper-Guinee. Naast tot slaaf gemaakte mensen waren er ook vrijgemaakte Afrikanen, vrije Afrikanen en Luso-Afrikaanse handelaren en tussenpersonen. Daardoor moet het begin van Cabo Verde niet worden verteld als “Europeanen stichtten een kolonie en later kwamen Afrikanen erbij”. Afrikanen en hun nakomelingen waren vanaf het begin essentieel voor het bevolken, economisch functioneren en cultureel vormen van de eilanden. [30][45]

Wie waren dan de eerste Kaapverdianen?

Dat is een andere vraag dan wie als eerste aan land kwam. De eerste Kaapverdianen waren de generaties die op de eilanden zelf werden geboren en voor wie Santiago, en later andere eilanden, een thuiswereld werd. Zij groeiden op uit Europese, Afrikaanse en gemengde familiegeschiedenissen, maar binnen een samenleving die door slavernij en koloniale ongelijkheid diep hiërarchisch was. Recent genetisch onderzoek naar Santiago past bij historische aanwijzingen dat de vroege Europese migratie sterk mannelijk was en dat Afrikaanse vrouwen een centrale rol speelden in de vorming van de eerste lokaal geboren generaties. Zo’n genetisch patroon verklaart niet wat cultuur is, maar het onderstreept wel dat de bevolking niet eenvoudigweg uit Portugese gezinnen bestond die hun samenleving naar Afrika kopieerden. [46]

Ook de bronnen zelf zijn ongelijk. Namen van kapiteins, koningen en kooplieden zijn veel beter bewaard dan de namen, ervaringen en verlangens van de Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen die onder dwang naar de eilanden werden gebracht. Wanneer wij vragen “wat wilden de eerste mensen?”, kunnen wij daarom niet doen alsof iedereen een gedocumenteerd plan naliet. Van de Portugese staat kennen wij beleid en privileges; van veel gedwongen migranten kennen wij vooral de structuren die over hen schreven. Juist dat verschil in archiefmacht hoort bij de geschiedenis.

Joy Enait-filosofie
Als ik dit verhaal aan Maleek zou vertellen, zou ik niet zeggen: “De Portugezen kwamen en stichtten Kaapverdië.” Dat is te eenvoudig. Ik zou zeggen: Portugal zette een kolonisatieproject in gang op eilanden zonder permanente bevolking. Een kleine groep Europese kolonisten kreeg macht, land en handelsmogelijkheden. Daarna werden grote aantallen Afrikaanse mensen in die wereld getrokken, vaak door geweld en slavernij. Uit hun levens, hun kinderen, hun talen, hun geloof, hun verzet, hun aanpassing en hun creativiteit ontstond uiteindelijk iets wat Portugal niet simpelweg uit Europa had meegebracht: een Kaapverdische samenleving. Niemand arriveerde als Kaapverdiaan. Kaapverdianen ontstonden op de eilanden.

Hoofdstuk — Santiago als koloniale proeftuin: land, handel en gedwongen arbeid

De vestiging op Santiago was geen losstaand eilandexperiment. Vanaf de jaren 1460 werd het eiland een basis voor Portugese handel met de West-Afrikaanse kust. Archeologisch onderzoek in Alcatrazes, een van de vroegste nederzettingen op Santiago, laat een gemeenschap zien waarin Europese importgoederen, West-Afrikaanse voorwerpen en lokaal geproduceerde materiële cultuur al vroeg naast elkaar bestonden. Onder de gedocumenteerde leidende bewoners bevonden zich kooplieden, reders en zeevaarders die rechtstreeks betrokken waren bij de handel met de kust van Guinee. [29][30]

Santiago en later Fogo ontwikkelden zich daardoor niet simpelweg als “Portugese eilanden in Afrika”. Zij werden plaatsen waar Europese kolonisten, vrije en onvrije Afrikanen, zeelieden, geestelijken, handelaren en mensen van gemengde afkomst nieuwe sociale verhoudingen vormden. Die samenleving was vanaf haar begin hiërarchisch: vrijheid, huidskleur, herkomst, bezit, religieuze status en toegang tot de koloniale staat bepaalden sterk welke mogelijkheden iemand had. [30]

Ook landbouw maakte deel uit van dit koloniale experiment. De vallei van Ribeira Grande werd gebruikt voor de introductie en aanpassing van gewassen uit verschillende werelddelen. Suikerriet, katoen, bananen, citrusvruchten, maïs en andere gewassen bewogen via Atlantische netwerken. Dat botanische verhaal klinkt op het eerste gezicht neutraal, maar het was verbonden met landbezit, handel en arbeid - en dus ook met de inzet van tot slaaf gemaakte mensen. [2][29]

Joy Enait-filosofie
Wanneer wij schrijven dat Cabo Verde een “kruispunt” werd, moeten wij steeds vragen wie vrijwillig reisde en wie werd vervoerd. Dezelfde haven kan voor een koopman een kans zijn geweest en voor een gevangengenomen Afrikaan het begin van onvrijheid. Eén plaats kan daarom meerdere, radicaal verschillende geschiedenissen tegelijk bevatten.

Hoofdstuk — Cidade Velha en de Atlantische slavenhandel

Cidade Velha — historische kern van Ribeira Grande de Santiago

Cidade Velha was een sleutelplaats in de vroege Portugese koloniale vestiging en in de Atlantische verbindingen met West-Afrika.
Bron: Wikimedia Commons, Cidade Velha (Ribeira Grande de Santiago), beeld geraadpleegd 16 september 2026. UNESCO Werelderfgoed sinds 2009.

 

Ribeira Grande op Santiago, tegenwoordig Cidade Velha, werd een cruciale haven in de vroege Portugese Atlantische expansie. UNESCO verbindt de stad expliciet met de organisatie van de handel in tot slaaf gemaakte Afrikanen en met de ontwikkeling van een vroeg Creools maatschappelijk systeem. [2]

Ribeira Grande was meer dan een aanlegplaats. Het werd een koloniaal bestuurscentrum, een markt, een religieus centrum en een fiscaal knooppunt. In 1533 kreeg de stad de status van bisschopszetel voor Cabo Verde en de Afrikaanse kust. Kerkelijke instellingen, koloniale administratie en handel raakten daardoor nauw met elkaar verweven. UNESCO-documentatie vermeldt bovendien dat tot slaaf gemaakte Afrikanen in de stad konden worden gedoopt en geëvangeliseerd voordat zij verder naar Europa of de Amerika’s werden verscheept. [29]

De beroemde Pelourinho op het plein van Cidade Velha wordt tegenwoordig vaak als symbool van deze koloniale orde gelezen. Het is belangrijk om zulke monumenten niet alleen als mooi erfgoed te bekijken. De stad was rijk omdat zij onderdeel werd van een systeem waarin menselijke lichamen, goederen, belastingen en scheepsroutes administratief aan elkaar werden gekoppeld. Het erfgoed vertelt dus tegelijk een geschiedenis van architectuur én van gedwongen mobiliteit. [2][29]

Die rijkdom maakte Ribeira Grande ook kwetsbaar. De Engelse kaper Francis Drake plunderde de stad in 1585. Daarna werd de verdediging versterkt en werd het Forte Real de São Filipe in 1593 voltooid. In 1712 richtte de Franse kaper Jacques Cassard zware verwoestingen aan. Tegen die tijd was de oude Portugese maritieme hegemonie al verzwakt; in de achttiende eeuw verschoof steeds meer handel en bestuur richting Praia. Zo werd Ribeira Grande uiteindelijk letterlijk de “Cidade Velha”: de oude stad. [29]

Tot slaaf gemaakte mensen kwamen uit verschillende West-Afrikaanse regio’s en taalgemeenschappen. De beschikbare bronnen maken het niet altijd mogelijk om voor iedere periode precieze herkomstcijfers te geven. Taalkundig onderzoek wijst wel op contacten met onder meer Wolof-, Mandinka- en andere Atlantische en Mande-talen in de vroege vorming van het Santiago-Creools. [6]

Hoofdstuk — Guinee vóór Guinee-Bissau: de kust tegenover de eilanden

Wanneer wij voor de vijftiende, zestiende of zeventiende eeuw over “Guinee-Bissau” spreken, moeten wij voorzichtig zijn. De huidige Republiek Guinee-Bissau bestond toen nog niet en de moderne grenzen waren onbekend. Europese bronnen gebruikten brede begrippen als Guinee of Opper-Guinee voor een veel groter gebied van de West-Afrikaanse kust. Daar leefden en handelden uiteenlopende samenlevingen met eigen politieke systemen, talen en handelsnetwerken lang vóór de komst van de Portugezen.

Voor de vroege geschiedenis van Cabo Verde is die kust geen achtergrond maar een tweede helft van hetzelfde verhaal. Historicus Toby Green benadrukt dat Santiago en de kust van Opper-Guinee economisch en cultureel zo sterk met elkaar verbonden raakten dat zij in de vroege Atlantische periode niet goed afzonderlijk kunnen worden bestudeerd. Kaapverdische handelaren waren actief langs onder meer de Casamance- en São Domingos-rivieren, terwijl mensen, goederen, talen en religieuze ideeën in beide richtingen bewogen. [30]

De Portugese kroon probeerde de handel te controleren en te belasten. In de periode van de Iberische Unie gold bijvoorbeeld de regel dat schepen die aan de kust van Opper-Guinee tot slaaf gemaakte mensen innamen, rechten op Santiago moesten betalen. Walter Rodney laat zien dat Spaanse schepen, Afrikaanse machthebbers en residentiële handelaren - de zogenoemde lançados - die regels geregeld omzeilden. Cabo Verde was dus een koloniaal administratief knooppunt, maar de Portugese staat had nooit volledige controle over het netwerk. [31]

De lançados waren Europeanen en Luso-Afrikaanse handelaren die zich aan de West-Afrikaanse kust vestigden en vaak veel zelfstandiger opereerden dan Lissabon wenste. Onderzoek van Linda Newson laat zien dat Afrikaanse en Luso-Afrikaanse tussenpersonen een grote rol speelden in de handel. Dat maakt het onjuist om de vroege Atlantische handel voor te stellen als een eenvoudige lijn van “Portugal” naar “Afrika”: lokale Afrikaanse elites, kooplieden, tussenpersonen en gemeenschappen maakten eigen keuzes binnen een steeds gewelddadiger Atlantisch systeem. [31][32]

Hoofdstuk — Cacheu, Bissau en de Kaapverdische verbinding

Een van de belangrijkste plaatsen in die relatie was Cacheu, gelegen in het gebied van het huidige Guinee-Bissau. De Portugese nederzetting ontwikkelde zich vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw en werd in het begin van de zeventiende eeuw een belangrijk bestuurs- en handelscentrum. Een historische beschrijving van Cacheu noemt een Portugese bevolking die voor een aanzienlijk deel bestond uit mensen van gemengde afkomst en kolonisten die vanuit Cabo Verde naar de kust waren gekomen, samen met hun cliënten en tot slaaf gemaakte mensen. [33]

Dit betekent niet dat Cabo Verde “Guinee-Bissau koloniseerde” als zelfstandige macht. De uiteindelijke soevereine macht lag bij de Portugese kroon en later de Portugese koloniale staat. Maar Kaapverdianen en Luso-Afrikaanse families konden binnen dat rijk wel optreden als kooplieden, ambtenaren, geestelijken en tussenpersonen. Juist daardoor werd de verhouding tussen eilanden en vasteland later sociaal ingewikkeld: mensen konden tegelijk zelf onder Portugees koloniaal bestuur leven én binnen dat systeem een relatief bevoorrechte positie tegenover anderen innemen.

In de achttiende eeuw werden Bissau en Cacheu opnieuw belangrijke vertrekpunten voor gedwongen transport naar Brazilië, vooral naar Maranhão en Pará. Dat latere handelsnetwerk liep niet simpelweg via Cidade Velha, maar het bouwde voort op eeuwen van verbindingen tussen de Kaapverdische archipel en de kust. [41]

Joy Enait-filosofie
Een antikoloniale geschiedenis hoeft mensen niet in twee kampen te verdelen: kolonisator en gekoloniseerde. Koloniale systemen maken ook tussenposities. Iemand kan onderworpen zijn aan een rijk en tegelijk voordelen krijgen binnen datzelfde rijk. Juist zulke ongemakkelijke posities zijn belangrijk om later de spanningen tussen Cabo Verdeanen en Guineeërs binnen de koloniale administratie en zelfs binnen de bevrijdingsbeweging te begrijpen.

Een antikoloniale benadering moet mensen niet reduceren tot “arbeidskracht”. Achter iedere registratie zat iemand met familie, taal, herinnering, religie en kennis. Tegelijkertijd ontstonden onder extreme ongelijkheid nieuwe families, lokale gemeenschappen en culturele systemen.

Hoofdstuk — Slavernij was niet alleen doorvoer

Het is verleidelijk om Cidade Velha vooral te beschrijven als een tussenstation waar gevangen Afrikanen aankwamen en daarna weer vertrokken. Maar slavernij bestond ook op de eilanden zelf. Tot slaaf gemaakte mensen werkten in landbouw, huishoudens, ambachten, havenactiviteiten en andere vormen van arbeid. De Creoolse samenleving ontstond dus niet alleen rond mensen die “door Cabo Verde heen” gingen, maar ook rond mensen die er generaties lang leefden onder verschillende vormen van onvrijheid en afhankelijkheid. [2][34]

Negentiende-eeuwse archieven maken dat zichtbaar tot op persoonsniveau. UNESCO heeft Kaapverdische slavernijdocumenten uit 1842–1869 en de bredere registers van tot slaaf gemaakten en vrijgemaakten uit Angola, Cabo Verde en Mozambique opgenomen in het Memory of the World-register. Die bronnen bevatten onder meer namen, leeftijden, geboorteplaatsen, beroepen en informatie over eigenaren. Juist zulke registers kunnen toekomstige edities van dit boek gebruiken om de geschiedenis dichter bij individuele levens te brengen. [34]

De afschaffing was bovendien geen enkel moment waarop alle koloniale afhankelijkheid verdween. Een Portugees decreet van 1869 veranderde de juridische status van de resterende tot slaaf gemaakten in de overzeese gebieden; overgangsverplichtingen voor zogenoemde libertos bleven daarna nog bestaan en werden in 1876 beëindigd. De juridische afschaffing maakte daarmee een einde aan slavernij als formele status, maar niet automatisch aan armoede, hiërarchie, landafhankelijkheid of raciale statusverschillen. [34]

Joy Enait-filosofie
Afschaffing is een juridische datum. Vrijheid is een sociaal proces. Wie alleen het decreet noemt, kan missen wat mensen de dag erna nog steeds niet bezaten: land, inkomen, onderwijs, politieke macht of de mogelijkheid om te vertrekken.

Hoofdstuk — Kerk, bekering en koloniale orde

Christendom was vanaf het begin verweven met de Portugese aanwezigheid. De bisschopszetel van 1533 maakte Ribeira Grande tot een religieus centrum voor Cabo Verde en delen van de Afrikaanse kust. Missionering kon gepaard gaan met onderwijs, doop, huwelijk en kerkelijke gemeenschapsvorming, maar maakte ook deel uit van een koloniale wereld waarin Europese religieuze normen als maatstaf voor beschaving werden gebruikt. [29]

Dat betekent niet dat het latere Kaapverdische katholicisme simpelweg “Portugees bezit” bleef. Afrikaanse afstammelingen, vrije en onvrije bewoners en latere generaties maakten geloof onderdeel van hun eigen familie- en eilandculturen. Daarom moet het boek twee werkelijkheden tegelijk vasthouden: de kerk als instelling binnen koloniale macht én het christendom als geloof dat Kaapverdianen zelf opnieuw hebben geïnterpreteerd en doorgegeven.

Hoofdstuk — Vermenging zonder romantisering

Cabo Verde wordt vaak beschreven als een Creoolse samenleving. Dat begrip kan verbinding aanduiden, maar kan ook geweld onzichtbaar maken wanneer “vermenging” uitsluitend als harmonieuze ontmoeting wordt verteld. In een slavernijsamenleving waren seksuele en familiale relaties niet altijd vrij of gelijkwaardig.

De Joy Enait-filosofie maakt daarom onderscheid tussen cultureel resultaat en de machtsverhoudingen waarbinnen dat resultaat ontstond. Dat Kriolu, morna of een nationale identiteit later iets geliefds werden, betekent niet dat de koloniale omstandigheden waaruit sommige vormen voortkwamen daarmee minder gewelddadig waren.

 

 

DEEL IV — TAAL, GELOOF, ETEN EN MUZIEK

Hoofdstuk — Kriolu: taal van ontmoeting en ongelijkheid

Kaapverdisch Creools — vaak Kriolu of Kabuverdianu genoemd — ontwikkelde zich uit intensief contact tussen Portugees en Afrikaanse talen. Wetenschappers discussiëren over precieze mechanismen en verspreiding, maar Santiago speelt in veel taalkundig onderzoek een centrale rol in de vroege geschiedenis. Bart Jacobs heeft historische en taalkundige argumenten aangevoerd voor een Santiago-oorsprong van de Upper Guinea Creole-tak. [7]

Het Kaapverdisch Creools is geen “slecht Portugees”. Het is een zelfstandige taal met eigen grammaticale systemen en eilandvarianten. Onderzoek vergelijkt onder andere de sterk verschillende varianten van Santiago en São Vicente. [8]

De politieke vraag is minstens zo belangrijk als de taalkundige: waarom bleef Portugees de officiële en institutioneel hoog gewaardeerde taal, terwijl Kriolu voor veel mensen de taal van familie, humor, muziek, intimiteit en dagelijkse identiteit werd?

Joy Enait-filosofie
Taal is nooit alleen grammatica. Wanneer één taal de taal van school, examen, wet en prestige is en een andere de taal van thuis, moet je vragen wie bepaalt wat “correct”, “beschaafd” en “officieel” is.

Verdieping — taal, school en status

Kriolu ontstond niet uit één “mengmoment”. Taalcontact vond plaats over generaties, tussen mensen met verschillende Afrikaanse talen, Portugees en later eilandvarianten die zich door interne migratie opnieuw beïnvloedden. Onderzoek benadrukt juist die combinatie van insulaire én continentale geschiedenis. [53][54]

De koloniale en postkoloniale taalverhoudingen bleven ongelijk. Portugees behield de officiële positie en bleef dominant in grote delen van formeel onderwijs en bestuur, terwijl Kriolu voor vrijwel de hele bevolking de eerste of alledaagse taal is. De invoering van ALUPEC als gestandaardiseerd schrijfsysteem was daarom niet alleen een spellingskwestie, maar onderdeel van een bredere discussie over wie bepaalt hoe een nationale taal op papier hoort te bestaan. [53]

Ook de eilandvarianten zijn sociaal betekenisvol. Een spreker kan aan uitspraak en woordkeuze vaak horen of iemand dichter bij Santiago, São Vicente, Santo Antão of een ander eiland is opgegroeid. Taal maakt de archipel hoorbaar.

Hoofdstuk — Barlavento- en Sotaventovarianten

De traditionele tweedeling Barlavento/Sotavento is ook hoorbaar in taal, maar elk eiland heeft eigen kenmerken. De tegenstelling Santiago–São Vicente is bijzonder zichtbaar in taalonderzoek en publieke identiteit. [8] Een zorgvuldige beschrijving voorkomt dat men alle noordelijke of alle zuidelijke varianten als identiek behandelt.

Hoofdstuk — Christendom: koloniale instelling en eigen geloofswereld

Het rooms-katholicisme kwam naar de archipel via de Portugese koloniale aanwezigheid. Kerk, koloniale administratie, onderwijs en morele orde waren lange tijd met elkaar verweven. Toch waren Kaapverdianen geen passieve ontvangers van religie. Rituelen, heiligenfeesten, familiegebruiken en lokale interpretaties maakten van het christendom een geleefde Kaapverdische werkelijkheid.

In de volkstelling van 2021 gaf 72,5 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder aan katholiek te zijn. Daarnaast bestaan onder meer adventistische, pinkster- en andere christelijke gemeenschappen, evenals mensen zonder religieuze binding. [9]

Voor de diaspora is religie ook organisatie. In Rotterdam ontwikkelden kerken en religieuze gemeenschappen sociale functies naast eredienst: ontmoeting, steun, jeugdactiviteiten, bezoekwerk en gemeenschapsvorming. Oudere Rotterdamse studies beschrijven de katholieke parochie als een belangrijke sociale ontmoetingsplaats. [20]

Verdieping — van missionering naar eigen geloofswereld

Het katholicisme kwam niet als neutrale religie naar de archipel. Kerkelijke instellingen stonden dicht bij koloniale macht, onderwijs, huwelijk, doop en classificatie van bevolking. De vestiging van het bisdom en de bouw van kerken in Ribeira Grande maakten geloof onderdeel van de institutionele koloniale orde.

Maar religie veranderde ook doordat Kaapverdianen haar zelf leefden. Heiligenfeesten, familiepraktijken, processies, muziek en lokale rituelen kregen eilandgebonden betekenissen. Daarom kan hedendaags christendom niet simpelweg als “Portugese erfenis” worden afgedaan. Een overgenomen religie kan na eeuwen een eigen lokale geschiedenis hebben, terwijl haar koloniale oorsprong nog steeds onderzocht mag worden.

Verdieping — de kerk als sociale infrastructuur

De sociale positie van de katholieke kerk in Cabo Verde gaat verder dan de zondagse mis. Eeuwenlang liep de kerk mee met momenten die tegelijk religieus en sociaal waren: doop, huwelijk, begrafenis, onderwijs, armenzorg, processies, heiligenfeesten en de organisatie van lokale gemeenschappen. Daardoor kon de parochie op sommige plaatsen functioneren als gebedshuis, ontmoetingsruimte, moreel referentiepunt en sociaal netwerk tegelijk. Dat verklaart waarom katholieke symbolen en feesten ook betekenis kunnen hebben voor mensen die niet iedere week naar de kerk gaan.

Die historische positie is ook in het huidige staatsbestel zichtbaar, al is Cabo Verde geen katholieke staat. Het uitvoeringsprotocol tussen de regering en de katholieke kerk uit 2026 regelt samenwerking op terreinen als onderwijs, geestelijke en sociale bijstand in ziekenhuizen, gevangenissen en bij de krijgsmacht, de civiele erkenning van canonieke huwelijken, bescherming van religieus erfgoed en de positie van katholieke feestdagen. Katholieke godsdienst- en moraallessen in het openbaar onderwijs zijn daarbij facultatief. De staat erkent dus een bijzondere historische institutionele relatie met de katholieke kerk, terwijl vrijheid van godsdienst het uitgangspunt blijft. [65]

Wie niet katholiek is, is in het hedendaagse Cabo Verde juridisch niet uitgesloten. Artikel 49 van de Grondwet beschermt uitdrukkelijk het recht om een religie te belijden óf geen religie te hebben en verbiedt benadeling of bevoordeling op grond van geloof. De volkstelling van 2021 laat bovendien zien dat 15,6 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder geen religie of spiritualiteit praktiseerde. Dat is belangrijk: sociale invloed van de kerk mag niet worden verward met een formele verplichting om katholiek te zijn. [9][66]

Historisch lag dat ingewikkelder. In een samenleving waarin kerkelijke instellingen nauw verbonden waren met huwelijk, doop, onderwijs, registratie, liefdadigheid en openbare feesten, kon afstand tot de officiële kerk ook afstand betekenen tot belangrijke sociale netwerken en vormen van erkenning. Niet iedere niet-praktiserende persoon werd daardoor automatisch uitgesloten, en de bronnen laten geen eenvoudig systeem zien waarin “niet naar de kerk gaan” overal dezelfde gevolgen had. Wel is duidelijk dat de kerk lange tijd mede bepaalde welke rituelen, relaties en vormen van respectabiliteit publiek als normaal werden beschouwd.

Eilandverschillen — waar religie het dagelijks leven sterk organiseert

Er bestaat geen betrouwbare ranglijst van “meest religieuze eilanden”. De invloed van de kerk moet daarom niet als één cijfer per eiland worden voorgesteld. Historisch springen Santiago en Fogo eruit door hun vroege parochies en kerkelijke instellingen; São Nicolau kreeg later een bijzondere plaats door het Seminário-Liceu; en op Santo Antão kreeg de kerk eveneens een sterke institutionele en gemeenschapsrol. Tegelijk zijn religieuze feesten op meerdere eilanden een belangrijk onderdeel van het openbare en familiale leven.

Kaapverdisch onderwijsmateriaal laat goed zien hoe verspreid die religieuze sociale kalender is. Santo António wordt sterk gevierd op Santo Antão; São João heeft belangrijke vieringen op Santo Antão, Brava, Fogo en São Vicente; en São Pedro op Santo Antão, São Vicente, Maio en São Nicolau. Op traditioneel agrarische eilanden als São Nicolau, Santo Antão, Fogo, Brava en Santiago zijn religieuze feesten bovendien verbonden geweest met voedsel, landbouwproducten, veilingen, beneficentie, muziek, familiebezoek en gemeenschapsverplichtingen. De kerk is daar dus niet alleen een geloofsinstelling: de feestdag kan tegelijk een sociaal seizoen, een familiegebeurtenis en een lokaal economisch moment zijn. [68]

Rabelados — wanneer religieuze afwijking ook sociale uitsluiting werd

De geschiedenis van de Rabelados op het binnenland van Santiago laat de scherpste kant van die macht zien. Vanaf de jaren 1940 verzette een deel van de plattelandsbevolking zich tegen hervormingen die door nieuwe katholieke missionarissen werden ingevoerd. Zij zagen zichzelf niet als mensen zonder geloof, maar juist als verdedigers van oudere katholieke praktijken. Het conflict werd echter niet alleen theologisch. Onder het Portugese koloniale regime raakten kerkelijke en bestuurlijke autoriteit met elkaar verweven, waardoor religieuze ongehoorzaamheid ook als sociaal en politiek probleem kon worden behandeld.

Onderzoek naar de Rabelados beschrijft ridiculisering, vervolging, arrestaties en verbanning naar andere eilanden; sommige families trokken zich terug in moeilijk bereikbare gebieden van Santiago. Dit is daarom een belangrijk correctief op een te harmonieuze geschiedenis van het katholicisme. Dezelfde kerkelijke wereld die onderwijs, rituelen en gemeenschap kon bieden, kon in een koloniale context ook deel worden van een systeem dat afwijkende religieuze praktijken onder druk zette. Dat historische voorbeeld mag niet zonder meer op het democratische Cabo Verde van nu worden geprojecteerd, maar het laat wel zien hoeveel sociale betekenis “bij de officiële kerk horen” ooit kon hebben. [69]

Joy Enait-filosofie — religie en sociale macht
De vraag is niet alleen hoeveel mensen katholiek zijn. De diepere vraag is: welke deuren gingen historisch open wanneer iemand binnen de erkende religieuze orde stond, en welke deuren werden moeilijker bereikbaar wanneer iemand erbuiten viel? Tegelijk moet een antikoloniale analyse voorkomen dat het geloof van Kaapverdianen zelf wordt gereduceerd tot een instrument van Portugal. Mensen maakten processies, heiligen, gebeden, muziek en familiegebruiken ook tot iets van henzelf. Geloof kan tegelijk persoonlijke overtuiging, cultureel erfgoed, sociale infrastructuur en een bron van macht zijn.

Hoofdstuk — Nieuwe Afrikaanse migratie: Senegal, Guinee-Bissau en de grens van morabeza

Cabo Verde is niet alleen een emigratieland. In de afgelopen decennia werd het ook een immigratieland voor mensen uit de West-Afrikaanse regio. Het officiële tweede onderzoek naar de sociale integratie van immigranten laat zien dat burgers uit de CEDEAO een groot deel van de buitenlandse bevolking vormen en dat Guinee-Bissau de belangrijkste herkomststaat is, gevolgd door onder meer Senegal. In de steekproef van het onderzoek uit 2022 was 44 procent van de ondervraagde immigranten afkomstig uit Guinee-Bissau en 25 procent uit Senegal; 53 procent van de ondervraagden gaf aan moslim te zijn en 45 procent christen. Daarmee verandert immigratie niet alleen de arbeidsmarkt, maar ook de religieuze en culturele diversiteit van het dagelijks leven. [67]

Waar wordt deze nieuwe immigratie het meest zichtbaar?

De immigrantenbevolking is niet gelijk over de archipel verdeeld. Het integratieonderzoek noemt vooral Santiago, Boa Vista, Sal en São Vicente als eilanden waar veel immigranten wonen, mede vanwege werk in handel, bouw, diensten en toerisme. Praia is als hoofdstad en economisch centrum een belangrijk knooppunt; Sal en Boa Vista trekken arbeidsmigratie door de toeristische economie; São Vicente door zijn stedelijke en maritieme functie. Binnen Santiago zijn ook Santa Catarina en Tarrafal relevante vestigingsgebieden. [67]

Die arbeidspositie is vaak kwetsbaar. Onder ondervraagden uit de CEDEAO concentreerde een groot deel van het werk zich in informele detailhandel, bouw, naaiwerk en ambacht. Hetzelfde onderzoek noemt problemen rond verblijfsdocumenten, nationaliteit, het openen van een onderneming, het vinden van werk en toegang tot huisvesting. De ervaring van “integratie” gaat daarom niet alleen over of buren vriendelijk zijn, maar ook over toegang tot papieren, inkomen, krediet, wonen en publieke diensten. [67]

Discriminatie en het woord “Mandjaku”

Een gevoelig onderdeel van deze geschiedenis is het woord “Mandjaku”. Manjaco is oorspronkelijk de naam van een etnische groep uit Guinee-Bissau en is in die betekenis geen scheldwoord. In Cabo Verde is Mandjaku echter ook gebruikt als algemene benaming voor zwarte immigranten uit de West-Afrikaanse kustregio, ongeacht of iemand werkelijk Manjaco is, Senegalese, Guineeër of uit een ander land komt. Juist die generalisering kan de term kleinerend en beledigend maken. Het officiële integratieonderzoek noteert dat sommige immigranten het woord als racistisch ervaren; academisch onderzoek beschrijft het als een homogeniserende en pejoratieve categorie die verschillende Afrikaanse bevolkingen tot één gestigmatiseerde “ander” maakt. [67][70]

Het is daarom nauwkeuriger om niet te schrijven dat het woord in iedere situatie automatisch dezelfde bedoeling heeft. Een Manjaco die zijn eigen etnische identiteit benoemt gebruikt het anders dan iemand die alle zwarte West-Afrikaanse migranten “Mandjaku” noemt. De sociale lading ontstaat uit context, machtsverhouding en generalisering. In die tweede betekenis kan het woord vergelijkbaar functioneren met een etnisch etiket dat iemands eigen naam, nationaliteit en identiteit uitwist.

Ook de geografische verschillen moeten voorzichtig worden gelezen. In het onderzoek van 2022 zei 16 procent van de ondervraagde immigranten racisme in Cabo Verde waar te nemen. Binnen diezelfde steekproef lag de gemeten perceptie hoger op Boa Vista (21 procent) en in Praia (19 procent), gevolgd door São Vicente (15 procent) en Sal (13 procent); in de rest van Santiago lag zij op 9 procent. Dit zijn geen objectieve “racismescores” voor eilanden, maar antwoorden binnen één onderzoek. Ze laten wel zien dat ervaringen van discriminatie niet overal hetzelfde zijn en dat vooral plaatsen met veel arbeidsmigratie expliciet onderzocht moeten worden. [67]

Hetzelfde onderzoek waarschuwt ook tegen een eenzijdig beeld. Een meerderheid van de ondervraagde immigranten gaf aan zich goed of zeer goed geïntegreerd te voelen. Discriminatie en dagelijkse samenwerking kunnen dus tegelijkertijd bestaan. Dat maakt de sociale werkelijkheid juist ingewikkelder: iemand kan werk hebben, vrienden maken, Kriolu leren en zich thuis voelen, en toch op andere momenten op huidskleur, nationaliteit of het label “Mandjaku” worden teruggebracht. [67]

Joy Enait-filosofie — wie wordt als “Afrikaan” gezien?
Hier ontstaat een ongemakkelijke spiegel. Cabo Verde ligt voor de West-Afrikaanse kust en zijn bevolking ontstond mede uit Afrikaanse geschiedenissen, maar moderne sociale grenzen kunnen toch een tegenstelling maken tussen “Kaapverdiaan” en “Afrikaan van het continent”. De vraag is niet om alle Kaapverdianen als racistisch te beschrijven. De vraag is hoe kleur, klasse, taal, religie, nationaliteit en koloniale ideeën over beschaving kunnen bepalen wie als vanzelfsprekend onderdeel van de samenleving wordt gezien en wie voortdurend als immigrant of buitenstaander wordt benoemd. Juist een land met een enorme eigen diaspora heeft reden om die vraag serieus te stellen.

Hoofdstuk — Eten als archief

Cachupa is het bekendste nationale gerecht, maar “de Kaapverdische keuken” is geen vast recept. Maïs, bonen, vis, vlees, groenten en producten uit verschillende handelsroutes werden per eiland en per huishouden anders gecombineerd. Schaarste en droogte maakten voedsel bovendien tot een geschiedenis van aanpassing.

Eten draagt migratie mee. In Rotterdam werd Kaapverdisch eten onderdeel van familieherinnering en gemeenschapsleven. Een gerecht kan daardoor tegelijk verwijzen naar een eiland van herkomst, een jeugd in Delfshaven en een familie die inmiddels over meerdere landen verspreid is.

Verdieping — schaarste, wereldhandel en dagelijks leven

De Kaapverdische keuken ontstond uit een Atlantische geschiedenis van verplaatsing. Maïs, bonen, suikerriet, bananen en andere gewassen bewogen tussen werelddelen; vis, geiten en lokale landbouw werden gecombineerd met producten die via scheepvaart aankwamen. Cachupa werd daardoor niet de overlevering van één “oercultuur”, maar juist een voorbeeld van Creoolse creativiteit.

Schaarste is eveneens onderdeel van die voedselgeschiedenis. Droogte bepaalde wat beschikbaar was, en emigratiegeld kon bepalen wat een huishouden kon kopen. Een feestmaaltijd, grogue of cachupa vertelt daarom ook iets over klasse, seizoen, diaspora en familieverplichtingen.

In Rotterdam veranderde eten opnieuw. Ingrediënten werden vervangen, ingevroren of geïmporteerd; restaurants en familiefeesten maakten gerechten zichtbaar buiten de privésfeer. Diasporakeuken is dus geen kopie van “thuis”, maar een nieuwe laag in dezelfde geschiedenis.

Hoofdstuk — Morna, batuku, funaná en coladeira

Morna werd in 2019 door UNESCO ingeschreven op de Representatieve Lijst van het Immaterieel Cultureel Erfgoed. UNESCO noemt thema’s als liefde, vertrek, scheiding, hereniging, verlangen, oceaan en vaderland; hedendaagse morna wordt vooral in het Kaapverdisch Creools gezongen. [5]

Maar Cabo Verde is meer dan morna. Batuku, funaná, coladeira, tabanka en andere genres dragen regionale en historische betekenissen. Instrumenten, ritmes, dans en taal laten zien dat cultuur niet alleen in archieven van de staat wordt bewaard.

Cesária Évora werd internationaal het bekendste muzikale gezicht van Cabo Verde, maar een boek dat alleen bij haar blijft hangen maakt opnieuw één stem tot het hele land. Daarom horen ook Eugénio Tavares, B. Leza, Bana, Ildo Lobo en vele andere makers in het verhaal.

Verdieping — muziek als regionaal geheugen

De verschillende genres dragen niet dezelfde sociale geschiedenis. Morna werd sterk verbonden met stedelijke cultuur, poëzie en Mindelo; batuku draagt een diepe relatie met Santiago en collectieve zang en percussie; funaná werd sterk geassocieerd met rurale Santiago-werelden en de gaita en ferrinho; coladeira ontwikkelde zich in een modernere stedelijke danscontext. Die onderscheidingen zijn niet absoluut, maar zij laten zien hoe muziek eilandidentiteit kan dragen.

Koloniale waarderingen speelden eveneens een rol. Muziek die dichter bij Europese salon- of snaarinstrumenttradities stond kon gemakkelijker als “beschaafd” worden gewaardeerd dan ritmes die met rurale, zwarte of populaire cultuur werden verbonden. Een antikoloniale muziekgeschiedenis vraagt daarom niet alleen wie populair werd, maar welke klanken ooit als minderwaardig werden behandeld.

Diaspora veranderde het repertoire opnieuw. Opnames, platenlabels, radio en optredens in Rotterdam, Lissabon, Parijs en Boston maakten van Kaapverdische muziek een transnationaal archief: een lied kon op São Vicente ontstaan, in Rotterdam worden opgenomen en vervolgens terugkeren naar de eilanden.

Hoofdstuk — Muziek tussen Mindelo en Rotterdam

Rotterdam werd niet alleen een werkstad voor Kaapverdianen, maar ook een productie- en distributieplaats van Kaapverdische muziek. Het Stadsarchief Rotterdam bewaart materiaal van Morabeza Records en wijst erop dat Cesária Évora in 1965 via het Rotterdamse label haar solodebuut op vinyl maakte. [21]

Muziek hielp migranten om een gemeenschap te maken vóórdat er grote formele instellingen bestonden. Feesten, cafés, platen, radio en optredens maakten Rotterdam cultureel tot een plaats die tegelijk ver van en dichtbij Cabo Verde lag.

 

 

DEEL V — DROOGTE, HONGER EN EEN CULTUUR VAN VERTREK

Hoofdstuk — Wanneer klimaat politiek wordt

Droogte behoort tot de centrale ervaringen van de Kaapverdische geschiedenis. Maar droogte alleen verklaart hongersnood niet. Toegang tot voedsel, koloniale prioriteiten, arbeid, handel en migratiemogelijkheden bepalen mede wie een natuurramp overleeft.

Historisch onderzoek naar Santo Antão laat bijvoorbeeld zien hoe droogte en hongersnood, geblokkeerde migratiemogelijkheden en koloniale arbeidsmobiliteit richting São Tomé en Príncipe elkaar beïnvloedden. [22] De Joy Enait-filosofie vraagt daarom steeds: wanneer wordt een natuurramp een politieke ramp?

Verdieping — hongersnood is meer dan gebrek aan regen

Cabo Verde kende tussen de achttiende en twintigste eeuw herhaaldelijk hongersnoden met zeer hoge sterfte. Historische reconstructies noemen onder meer zware crises in de jaren 1770, 1830, 1860, 1900, 1920 en 1940. De precieze aantallen verschillen per bron, maar de algemene conclusie is onomstreden: droogte kon enorme demografische gevolgen hebben. [55][56]

Toch is regenval nooit de volledige verklaring. Beschikbaarheid van schepen, voedselimport, koloniale belastingen, visserijrechten, werkprogramma’s en emigratiemogelijkheden bepaalden mede wie toegang tot voedsel hield. George Brooks heeft bijvoorbeeld gewezen op koloniale beperkingen op boten en visserij als onderdeel van de bredere kwetsbaarheid. [56]

Na 1968 bleef Cabo Verde opnieuw langdurig door droogte getroffen, maar grootschalige hongersnood werd steeds meer voorkomen door voedselimport, publieke werken en na onafhankelijkheid een actiever sociaal beleid. Dat verschil laat zien waarom een natuurramp pas een menselijke ramp wordt via instituties en verdeling. [55]

Hoofdstuk — Emigratie als bestaansstrategie

Migratie is zo diep in de Kaapverdische geschiedenis verweven dat vertrek niet eenvoudig als breuk kan worden gezien. Zeelieden, arbeiders, studenten en families bouwden netwerken in de Verenigde Staten, Portugal, Nederland, Frankrijk, Luxemburg, Italië, Senegal en andere landen.

De routes waren niet voor ieder eiland hetzelfde. Onderzoek van Jørgen Carling wijst erop dat Noordwest-Europa relatief belangrijk was voor São Vicente en Santo Antão, mede door de vroege emigratie van zeelieden via Mindelo; Fogo en Brava kenden bijvoorbeeld sterkere historische verbindingen met de Verenigde Staten. [18]

 

 

Verdieping — meerdere migraties, niet één diaspora

De Kaapverdische diaspora ontstond niet via één route. Brava en Fogo raakten sterk verbonden met New England; São Vicente, Santo Antão en São Nicolau met internationale scheepvaart en later Noordwest-Europa; andere migratieroutes liepen via Portugal, Senegal, Angola, São Tomé en Príncipe en later Frankrijk, Luxemburg en Italië.

Sommige migratie was gekozen, andere stond onder sterke economische of koloniale druk. Contractarbeid naar São Tomé en Príncipe, zeemanschap, familiehereniging en studentenmigratie moeten daarom niet op één hoop worden gegooid. De centrale overeenkomst is dat vertrek in veel families een structureel onderdeel van bestaansstrategieën werd.

Remittances veranderden vervolgens lokale economieën en sociale verwachtingen. Geld van buiten kon huizen, onderwijs en consumptie financieren, maar kon ook nieuwe afhankelijkheden creëren. De diaspora werd zo niet een randverschijnsel van Cabo Verde; zij werd onderdeel van hoe het land zelf functioneert.

DEEL VI — AMÍLCAR CABRAL, ANTIKOLONIALISME EN ONAFHANKELIJKHEID

Beeldkader — koloniale ruimte en antikoloniale politiek

Cidade Velha staat voor de lange koloniale geschiedenis; het historische portret van Amílcar Cabral voor de twintigste-eeuwse strijd tegen het Portugese kolonialisme.
Bronnen: Wikimedia Commons-beeldmateriaal; zie Beeldverantwoording.

Hoofdstuk — Cabo Verde binnen het Portugese rijk: niet gelijk, maar ook niet identiek aan Guinee

In de twintigste eeuw bestuurde Portugal Cabo Verde en Portugees-Guinee binnen hetzelfde rijk, maar niet op precies dezelfde manier. In Guinee viel het overgrote deel van de Afrikaanse bevolking onder de koloniale categorie “indígena” en onder arbeids- en bestuursregimes die juridisch onderscheid maakten tussen zogenoemde inheemsen en burgers. Cabo Verdeanen werden in de koloniale ordening in veel grotere mate als Portugese burgers behandeld en kregen relatief meer toegang tot onderwijs en lagere administratieve functies. Dat betekende geen gelijkheid met Portugal en ook geen afwezigheid van armoede of racisme op de eilanden. [36]

Juist de combinatie van beperkte onderwijskansen op Cabo Verde en Portugese behoefte aan personeel maakte dat Kaapverdianen in Portugees-Guinee als ambtenaren, onderwijzers en administratieve tussenpersonen konden worden ingezet. Recent onderzoek naar de vroege PAIGC benadrukt dat deze beroepslaag een belangrijke sociale achtergrond vormde voor verschillende latere nationalisten. [36]

Die positie kon spanning oproepen. Voor sommige Guineeërs stonden Kaapverdische functionarissen niet alleen voor een verwante Afrikaanse gemeenschap, maar ook voor de dagelijkse aanwezigheid van de Portugese koloniale staat. Tegelijkertijd leden veel families op Cabo Verde zelf onder droogte, hongersnood, beperkte economische mogelijkheden en koloniale verwaarlozing. De relatie kan daarom niet eerlijk worden samengevat als “bevoorrechte Cabo Verdeanen tegenover onderdrukte Guineeërs”; er bestonden duidelijke machtsverschillen, maar ook gedeelde onderwerping aan hetzelfde rijk. [35][36]

Deze dubbele positie helpt de biografie van Amílcar Cabral begrijpen. Hij werd in Bafatá in Portugees-Guinee geboren uit Kaapverdische ouders, groeide deels op in Cabo Verde en studeerde later in Portugal. Zijn leven verbond daarmee de twee koloniale werelden die hij politiek wilde samenbrengen.

Hoofdstuk — Amílcar Cabral: agronoom, organisator en denker

Amílcar Cabral

Cabral verbond onafhankelijkheidsstrijd aan vragen over cultuur, landbouw, koloniale macht en politieke organisatie.
Bron: Wikimedia Commons, portret van Amílcar Cabral; historische portretten van Cabral zijn in de Commons-collectie beschikbaar, geraadpleegd 16 september 2026.

 

Amílcar Lopes Cabral werd in 1924 geboren in Bafatá, in het toenmalige Portugees-Guinea, in een familie met Kaapverdische en Guinese verbindingen. Hij bracht een belangrijk deel van zijn jeugd en opleiding door in Cabo Verde en werd agronoom. Hij werd een centrale leider van de PAIGC en een invloedrijke denker over kolonialisme, cultuur en bevrijding. [23]

Cabral is belangrijk voor de Joy Enait-filosofie omdat hij cultuur niet als versiering na de politiek behandelde. Voor hem kon culturele dominantie onderdeel van koloniale macht zijn en kon culturele herwaardering bijdragen aan politieke bewustwording. Tegelijkertijd verdient Cabral geen heiligenstatus: historisch onderzoek bespreekt ook interne conflicten, spanningen tussen Guinezen en Kaapverdianen en verschillende interpretaties van zijn leiderschap. [24]

Cabral sprak bovendien niet alleen over identiteit. Als agronoom had hij geleerd naar bodem, productie en het dagelijks bestaan van boeren te kijken. Zijn politieke denken koppelde nationale bevrijding aan concrete levensomstandigheden: voedsel, onderwijs, gezondheid, waardigheid en de mogelijkheid van mensen om hun eigen samenleving te organiseren. Zijn geschriften in Unity and Struggle maken duidelijk dat hij de strijd van Guinee en Cabo Verde in een bredere Afrikaanse antikoloniale context plaatste. [37]

Voor Joy Enait is juist dat interessant: “terugkeer naar de bron” hoeft niet te betekenen dat men een zuiver verleden reconstrueert. Bij Cabral ging culturele herwaardering samen met kritisch leren, aanpassen en nieuwe instituties maken. Dat voorkomt dat antikolonialisme zelf verandert in een romantisch verhaal waarin alles van vóór Europa automatisch goed of onveranderd zou zijn.

Hoofdstuk — PAIGC en de bijzondere positie van Cabo Verde

De antikoloniale strijd verliep in Guinee-Bissau anders dan op de Kaapverdische eilanden. De gewapende strijd vond vooral op het Afrikaanse vasteland plaats; Cabo Verde kende clandestiene organisatie en politieke mobilisatie, maar geen vergelijkbare guerrillaoorlog op de eilanden.

De PAIGC werd in 1956 in Bissau gevormd in een omgeving van clandestiene politieke organisatie. Recente archiefstudies laten zien dat verschillende vroege leiders van Kaapverdische afkomst waren en ervaring hadden in onderwijs, administratie of stedelijke vakbondsnetwerken. De beweging probeerde aanvankelijk arbeiders en stedelijke organisaties te mobiliseren. [36]

De gebeurtenissen bij de haven van Pidjiguiti in Bissau op 3 augustus 1959 werden een keerpunt. Een arbeidsconflict en staking van havenarbeiders eindigden in dodelijk koloniaal geweld. Historici verschillen in details en aantallen, maar zijn het erover eens dat de repressie de PAIGC richting voorbereiding op gewapende strijd en sterkere organisatie op het platteland duwde. [36]

Vanaf 1963 vond een langdurige guerrillaoorlog plaats in Portugees-Guinee. Dat is cruciaal voor een Cabo Verde-boek: veel van de militaire prijs voor een partij die de onafhankelijkheid van twee gebieden nastreefde, werd op het vasteland betaald door Guinese strijders en burgers. Tegelijkertijd maakten Kaapverdische leiders en clandestiene netwerken deel uit van dezelfde partij. Die asymmetrie bleef na de overwinning politiek gevoelig. [38]

Hoofdstuk — Eén partij, twee landen: het unieproject en zijn breuk

De PAIGC zag Guinee en Cabo Verde niet alleen als twee kolonies die toevallig dezelfde vijand hadden. Cabral en andere leiders verdedigden een project van politieke eenheid, gebaseerd op de lange historische verbinding tussen eilanden en kust en op een bredere Afrikaanse visie. Guinee-Bissau riep in september 1973 eenzijdig de onafhankelijkheid uit; Portugal erkende die onafhankelijkheid in 1974. Cabo Verde werd op 5 juli 1975 onafhankelijk. [37][38]

Na de onafhankelijkheid bleven beide staten afzonderlijke regeringen houden, maar de PAIGC regeerde in beide landen en politieke eenwording bleef een officieel doel. In Guinee-Bissau was Luís Cabral, halfbroer van Amílcar, president; in Cabo Verde werd Aristides Pereira president en speelde Pedro Pires een centrale regeringsrol. De gedeelde partijstructuur kon echter de verschillende sociale, militaire en nationale ervaringen niet vanzelf opheffen.

In november 1980 zette een militaire staatsgreep in Guinee-Bissau onder leiding van João Bernardo “Nino” Vieira Luís Cabral af. Daarmee stortte het politieke unieproject feitelijk in. In Cabo Verde werd de partij vervolgens PAICV - Partido Africano da Independência de Cabo Verde - terwijl de PAIGC in Guinee-Bissau bleef bestaan. [38]

Joy Enait-filosofie
Een gedeelde vijand kan politieke eenheid mogelijk maken, maar na de overwinning komen andere vragen terug: wie heeft de zwaarste offers gebracht, wie bestuurt, welke regionale verschillen blijven bestaan en welke identiteit krijgt voorrang? De geschiedenis van PAIGC laat zien dat antikoloniale solidariteit werkelijk kan zijn zonder dat verschillen daardoor verdwijnen.

Cabral werd in januari 1973 in Conakry vermoord en maakte de onafhankelijkheid van Cabo Verde niet meer mee. [23] Na de Portugese Anjerrevolutie van 1974 kwam de dekolonisatie in een stroomversnelling. Cabo Verde riep op 5 juli 1975 de onafhankelijkheid uit. [1][10]

Hoofdstuk — Na 1975

Na de onafhankelijkheid bouwde de PAIGC/PAICV een eenpartijstaat op. Aristides Pereira werd de eerste president; Pedro Pires was een centrale regeringsleider. De politieke breuk in Guinee-Bissau in 1980 maakte een einde aan het project van politieke eenheid tussen beide landen.

Verdieping — onafhankelijkheid als begin van een nieuwe fase

De onafhankelijkheid van 1975 betekende soevereiniteit, maar de nieuwe staat erfde een kwetsbare economie, droogte, emigratieafhankelijkheid en koloniale instituties. De PAIGC en later PAICV bouwden een eenpartijstelsel waarin nationale ontwikkeling, onderwijs, gezondheidszorg en buitenlandse relaties centraal werden aangestuurd.

De staatsgreep van 1980 in Guinee-Bissau beëindigde het idee van één politieke staat met Cabo Verde. In Cabo Verde werd de PAICV een afzonderlijke partij. Vanaf het einde van de jaren tachtig ontstond ruimte voor politieke liberalisering; in 1991 vonden meerpartijenverkiezingen en een vreedzame machtswisseling plaats.

Voor de Joy Enait-filosofie is dit belangrijk: antikoloniale bevrijding is niet het einde van kritische geschiedenis. Ook postkoloniale regeringen, partijen en elites moeten onderzocht kunnen worden zonder daarmee kolonialisme te vergoelijken.

Hoofdstuk — Van bevrijdingsbeweging naar PALOP-wereld

De term PALOP - Países Africanos de Língua Oficial Portuguesa - moet historisch op de juiste plaats worden gezet. PALOP was niet de naam van één bevrijdingsbeweging en ook geen gezamenlijke koloniale staat. Het is een latere verzamelterm voor Angola, Cabo Verde, Guinee-Bissau, Mozambique en São Tomé en Príncipe: vijf onafhankelijke Afrikaanse staten die Portugees als officiële taal behielden en op verschillende terreinen gingen samenwerken. [39]

Die landen deelden de ervaring van Portugees kolonialisme en ongeveer gelijktijdige dekolonisatie, maar hun onafhankelijkheidsbewegingen, oorlogen, bevolkingen en politieke systemen verschilden sterk. Cabo Verde kende bijvoorbeeld geen grootschalige guerrillaoorlog op eigen grondgebied zoals Guinee-Bissau, Angola en Mozambique. De term “Lusofone Afrika” kan dus verbinding aangeven, maar mag de verschillen niet uitwissen.

Vanaf de jaren negentig kreeg die postkoloniale samenwerking ook een institutionele vorm in relaties tussen de Europese Unie en de PALOP-landen. De bredere CPLP werd in 1996 opgericht en omvat naast de Afrikaanse landen ook Portugal en Brazilië, later uitgebreid met andere lidstaten. PALOP en CPLP zijn dus verwante maar verschillende kaders. [39][40]

Voor Cabo Verde is dit opnieuw een identiteitsvraag. Het land is West-Afrikaans en Atlantisch, heeft Kriolu als dominante dagelijkse taal, gebruikt Portugees officieel, onderhoudt nauwe banden met Europa en leeft tegelijk door een wereldwijde diaspora. Geen van die verbindingen hoeft de andere volledig te vervangen.

In 1991 vonden de eerste meerpartijenverkiezingen plaats, waarna een parlementaire democratische machtswisseling mogelijk werd. [1] Een antikoloniale analyse moet hier niet stoppen bij 1975: onafhankelijkheid beëindigt buitenlandse soevereiniteit, maar niet automatisch economische afhankelijkheid, sociale ongelijkheid of institutionele erfenissen.

Recent historisch onderzoek naar Santo Antão laat bovendien zien dat de eenpartijperiode niet alleen als heldhaftige voortzetting van de bevrijdingsstrijd kan worden beschreven. Lokale weerstand tegen agrarische hervormingen, politiepraktijken en bestuurlijke keuzes groeide in de jaren 1975–1991 uit tot sterke oppositie. Dat maakt de postkoloniale geschiedenis zelf onderwerp van kritiek en onderzoek. [42]

 

 

DEEL VII — BARLAVENTO, SOTAVENTO, BADIU EN SAMPADJUDU

Hoofdstuk — Geografie wordt identiteit

Barlavento omvat traditioneel Santo Antão, São Vicente, Santa Luzia, São Nicolau, Sal en Boa Vista. Sotavento omvat Santiago, Maio, Fogo en Brava. De woorden zijn geografisch, maar in dagelijks leven kunnen ze ook verwijzen naar accent, muziek, eten, stereotypes en politieke of stedelijke rivaliteit.

Het is verleidelijk om dit meteen “polarisatie” te noemen. Dat zou te sterk zijn zonder context. Soms gaat het om echte ongelijkheden of rivaliteit; soms om humor, voetbal, accent of eilandtrots. De onderzoeksvraag moet daarom luiden: wanneer wordt verschil sociale hiërarchie?

Hoofdstuk — Praia en Mindelo

Praia op Santiago is hoofdstad en centrum van nationale politieke instituties. Mindelo op São Vicente heeft een sterke reputatie als haven- en cultuurstad. De twee steden worden vaak symbolisch tegenover elkaar geplaatst.

Ook de taalvarianten van Santiago en São Vicente zijn in onderzoek gebruikt om bredere historische en sociale contrasten te bestuderen. [8] Toch moet een nationaal verhaal voorkomen dat alle andere eilanden worden gereduceerd tot bijfiguren in een duel tussen twee steden.

Hoofdstuk — Badiu: van koloniale categorie naar Santiaguense identiteit

Badiu is vandaag in de eerste plaats een benaming voor mensen, cultuur en taal van Santiago. Het woord is dus niet simpelweg een ander woord voor alle Sotavento-eilanden. In historisch en antropologisch onderzoek wordt de oorsprong meestal verbonden met het Portugese vadio: een woord dat in de koloniale samenleving kon verwijzen naar mensen die buiten de door de autoriteiten gewenste arbeids- en sociale orde leefden. In de context van Santiago werd de term onder meer verbonden met gevluchte tot slaaf gemaakten, vrijgemaakten en vrije zwarte plattelandsbewoners die zich in het binnenland vestigden. [49] [52]

Daarmee droeg Badiu oorspronkelijk niet alleen een geografische betekenis. Het woord kon ook een oordeel bevatten over klasse, huidskleur, arbeid en gehoorzaamheid. Een bewoner van het rurale binnenland kon vanuit een koloniale of stedelijke blik als 'vadio', ongeciviliseerd of weerspannig worden voorgesteld. Juist daarom is de latere toe-eigening belangrijk: wat als neerbuigende categorie kon functioneren, werd voor veel Santiaguenses een aanduiding van lokale identiteit, zelfstandigheid en culturele continuïteit. De betekenis is echter contextafhankelijk; niet iedere inwoner van Santiago gebruikt het woord op precies dezelfde manier.

Culturele vormen als batuku, tabanka en funaná zijn in nationale en wetenschappelijke discussies vaak met een Badiu/Santiago-identiteit verbonden. Dat betekent niet dat deze muziekstijlen een 'zuiver Afrikaans' verleden vertegenwoordigen of dat iedere Badiu dezelfde afkomst of levenswijze heeft. Het laat vooral zien dat op Santiago bepaalde Afrikaanse continuïteiten, rurale tradities en herinneringen aan slavernij en verzet zichtbaarder zijn gebleven dan in sommige andere eilandelijke omgevingen.

Hoofdstuk — Sampadjudu: een tegennaam met een onzekere oorsprong

Sampadjudu wordt vaak als complementaire benaming tegenover Badiu gebruikt. In brede zin kan het vanuit Santiago verwijzen naar Kaapverdianen die niet van Santiago komen; in engere en alledaagse toepassingen wordt het bijzonder sterk verbonden met São Vicente, Mindelo en de noordelijke eilanden. Het is daarom evenmin een perfecte synoniem voor Barlavento. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat mensen uit Fogo en Brava in bepaalde Santiaguense taalpraktijken eveneens als sampadjudu kunnen worden aangeduid. [50] [52]

Over de herkomst van het woord bestaat geen volledige wetenschappelijke overeenstemming. Een bekende verklaring verbindt sampadjudu met de Portugese uitdrukking são para ajudar: mensen van andere eilanden zouden naar Santiago zijn gekomen om bij oogst, openbare werken of hulpprogramma's te helpen. Een andere oudere verklaring legt een verband met 'são palhudos' en huizen met rieten of strooien daken. Taalkundig onderzoek waarschuwt dat zulke populaire etymologieën niet als definitief bewezen moeten worden gepresenteerd. Daarom behandelt dit boek de precieze woordoorsprong als een open historische vraag. [51] [52]

Hoofdstuk — Hoe verschil polarisatie kon worden

Badiu en Sampadjudu waren nooit twee afgesloten 'rassen' of twee onveranderlijke volken. Het zijn historische sociale categorieën die kracht kregen doordat de eilanden zich onder verschillende omstandigheden ontwikkelden. Santiago was vanaf de vijftiende eeuw het oudste centrum van koloniale vestiging, landbouw en slavernij en behield een groot rurale binnenland. São Vicente werd veel later dicht bevolkt en groeide in de negentiende eeuw rondom Porto Grande uit tot internationale havenstad, met migratie uit andere eilanden en uit Portugal, Madeira, de Azoren en andere maritieme werelden. Die verschillende geschiedenissen werden vervolgens omgezet in verhalen over wat voor soort mensen er op ieder eiland zouden wonen.

Daar kwam de koloniale hiërarchie bovenop. Portugese taal, stedelijk onderwijs, Europese omgangsvormen en nabijheid tot witheid konden meer prestige krijgen dan rurale, donkerdere of duidelijker Afrikaans geassocieerde culturele vormen. Daardoor kreeg de regionale tegenstelling gemakkelijk een raciale en klassengebonden ondertoon. Antropoloog Luís Batalha beschrijft hoe Badius in stereotype voorstellingen vaker als donker of zwart werden gecategoriseerd en Sampadjudus vaker als lichter of wit. Elizabeth Challinor laat zien dat zulke categorieën in sociale conflicten zelfs als vormen van intra-Kaapverdische racialisering kunnen worden ervaren. [49] [50]

Ook de tegenstelling Praia-Mindelo versterkte het verhaal. Praia werd de politieke hoofdstad en het bestuurlijke centrum; Mindelo bouwde een zelfbeeld op rond de haven, literatuur, muziek, onderwijs en kosmopolitisme. In populaire stereotypen kon de Badiu vervolgens worden neergezet als landelijk, 'brabu', heetgebakerd of minder verfijnd, terwijl de Sampadjudu juist als stedelijk, zacht, ontwikkeld of Europees georiënteerd werd voorgesteld. Zulke beelden vertellen veel over sociale hiërarchieën, maar zij mogen nooit als feitelijke eigenschappen van hele bevolkingen worden herhaald. Etnografisch onderzoek naar muziek op São Vicente laat juist zien hoe zulke tegenstellingen via morna, funaná en batuku symbolisch worden geproduceerd en beleefd. [51]

Hoofdstuk — Rivaliteit, humor en echte discriminatie

Niet iedere verwijzing naar Badiu en Sampadjudu is vijandig. De woorden kunnen voorkomen in grappen, muziek, accentverschillen, voetbal, vriendschappelijke rivaliteit en eilandtrots. Maar dezelfde woorden kunnen in andere situaties gekoppeld worden aan huidskleur, haar, intelligentie, beschaving, geweld of huwelijksvoorkeuren. Dan verandert een regionale identiteit in een sociale rangorde. Dat onderscheid is cruciaal: polarisatie begint niet bij het bestaan van verschil, maar wanneer verschillen worden gebruikt om mensen hoger of lager te plaatsen.

Onderzoek in de Kaapverdische diaspora laat beide bewegingen zien. Batalha stelt dat regionale rivaliteiten buiten Cabo Verde vaak zwakker worden doordat mensen tegenover de buitenwereld sterker als Kaapverdiaan samenkomen. Challinor beschrijft echter een concreet diaspora-geval waarin de Badiu-Sampadjudu-tegenstelling juist bleef doorwerken en een raciale lading kreeg. [49] [50] Voor Rotterdam betekent dit dat het boek niet mag aannemen dat de tegenstelling verdwenen is of overal sterk leeft. Dat moet met oral-history-interviews worden onderzocht: herkennen oudere zeelieden, hun kinderen en jongere Rotterdammers deze woorden, en gebruiken zij ze op dezelfde manier?

Hoofdstuk — Geen twee zuivere groepen

De geschiedenis van Cabo Verde zelf maakt een harde scheidslijn onmogelijk. Mensen verhuisden tussen eilanden, trouwden met elkaar, monsterden via andere eilanden aan op schepen en bouwden families in Praia, Mindelo, Rotterdam, Lissabon, Boston en elders. Een persoon kan een moeder uit Santiago en een vader uit Santo Antão hebben, op São Vicente zijn opgegroeid en in Nederland wonen. De categorieën Badiu en Sampadjudu kunnen dan tegelijk herkenbaar én ontoereikend zijn.

De interessantste antropologische vraag is daarom niet: 'Wie is werkelijk Badiu en wie is werkelijk Sampadjudu?' De interessantere vragen zijn: wanneer worden deze woorden gebruikt, door wie, tegenover wie, met welke emotie, en welke geschiedenis van huidskleur, klasse, taal, eiland en koloniale macht wordt daarbij geactiveerd?

Joy Enait-filosofie
Voor Joy Enait laat de tegenstelling tussen Badiu en Sampadjudu zien hoe koloniale rangordes langer kunnen leven dan het koloniale bestuur zelf. De vraag is niet welke groep 'meer Afrikaans', 'echter Kaapverdiaans', 'beschaafder' of 'moderner' is, maar hoe verschillende eilandgeschiedenissen in een hiërarchie werden geplaatst. Voor Maleek is de les: begrijp waar de verschillen vandaan komen zonder de oude rangorde te erven. Cabo Verde is juist door verbinding, migratie en vermenging gevormd.

Hoofdstuk — Taal en muziek: hoe de grens hoorbaar wordt

De tegenstelling wordt niet alleen in afkomst benoemd, maar kan ook hoorbaar worden gemaakt. Cabo Verde kent geen enkel uniform Kriolu: Santiago en São Vicente hebben duidelijk verschillende taalvarianten, naast de eigen vormen van andere eilanden. In alledaagse gesprekken kunnen woorden als Badiu en Sampadjudu daardoor tegelijk verwijzen naar herkomst, accent en een veronderstelde culturele stijl. Dat maakt taal tot meer dan communicatie; uitspraak kan onmiddellijk een verhaal oproepen over eiland, stad, klasse en familie. [8] [52]

Hetzelfde gebeurt in muziek. Santiago wordt sterk geassocieerd met batuku, tabanka en funaná, terwijl São Vicente in het nationale verbeeldingsveld vaak verbonden wordt met morna, coladeira, serenades en het stedelijke muziekleven van Mindelo. Juliana Braz Dias laat zien dat zulke muziekpraktijken niet alleen klanken zijn, maar manieren waarop mensen gevoelens en ideeën over 'hoe wij zijn' beleven. In die symbolische tegenstelling kan een Mindelense stijl als rustiger of meer ingetogen worden voorgesteld en een Santiaguense stijl als uitbundiger of krachtiger. [51]

Daar moet het boek opnieuw voorzichtig zijn. Muziekgenres bewijzen geen karaktereigenschappen van bevolkingen. Een Badiu is niet van nature luid of heetgebakerd en een Sampadjudu niet van nature zachter of verfijnder. Juist het feit dat zulke stereotypen via muziek, grappen en taal herkenbaar worden, maakt ze antropologisch interessant: mensen leren categorieën niet alleen uit wetten of schoolboeken, maar ook op feesten, in families, op straat, in liederen en in opmerkingen over iemands accent.

In de diaspora kunnen die betekenissen opnieuw veranderen. Een Kaapverdiaan in Rotterdam kan zichzelf tegenover Nederlanders vooral als Kaapverdiaan ervaren, terwijl binnen familie of onder landgenoten het eiland van herkomst plotseling weer belangrijk wordt. Kinderen van gemengde eilandelijke afkomst kunnen de tegenstelling minder scherp beleven, of juist merken dat oudere generaties woorden en grappen gebruiken waarvan zij de historische lading niet volledig kennen. Challinors onderzoek waarschuwt dat regionale categorieën ook buiten Cabo Verde een raciale of sociale betekenis kunnen behouden, maar niet overal op dezelfde manier. [50]

Daarom hoort bij een toekomstige Rotterdamse oral-historyfase een concrete reeks vragen: hoorde men thuis de woorden Badiu of Sampadjudu? Waren ze liefdevol, grappig of beledigend bedoeld? Werd een huwelijk tussen mensen van verschillende eilanden ooit besproken als bijzonder? Speelden huidskleur, haar, Kriolu-variant of muziekvoorkeur daarin mee? En verandert dat bij de tweede en derde generatie? Zo wordt polarisatie niet als vaststaand feit op Rotterdam geprojecteerd, maar onderzocht vanuit de mensen zelf.

 

 

DEEL VIII — HET ELFDE EILAND: NEDERLAND EN ROTTERDAM

In Kaapverdisch-Rotterdamse gesprekken wordt Rotterdam soms het “elfde eiland” genoemd. Dat is geen geografisch feit maar een krachtige diasporametaforiek: een stad buiten de archipel die door migratie, familie, muziek, geldstromen, kerk, verenigingen en herinnering zo sterk met Cabo Verde verbonden raakte dat zij in de verbeelding onderdeel van het eilandenlandschap werd. [25]

Beeldkader — Barlavento en de routes naar buiten

Mindelo, Santo Antão en de archipelkaart maken zichtbaar waarom interne eilandmigratie en scheepvaart belangrijk waren voor de latere diaspora.
Bronnen: Wikimedia Commons-beeldmateriaal; zie Beeldverantwoording.

Hoofdstuk — Waarom Rotterdam?

De eerste grote Kaapverdische vestiging in Nederland ontstond vanaf de jaren vijftig en vooral in de jaren zestig en zeventig. De migranten waren in belangrijke mate jonge mannen uit de maritieme wereld. Rotterdam was een centrale aanmonsterplaats voor schepen in Noordwest-Europa en bood werk in en rond haven, scheepvaart en industrie. CBS beschreef in 2004 dat Rotterdam destijds meer dan twintig Kaapverdische pensions kende en dat veel mannen Cabo Verde als zeeman verlieten en zich vervolgens in Rotterdam vestigden. [12]

De migratie verschilde daarmee van klassieke Nederlandse gastarbeiderswerving uit bijvoorbeeld Turkije of Marokko. Veel Kaapverdianen kwamen via transnationale scheepvaartnetwerken, persoonlijke contacten en eigen initiatief. Sommige bronnen noemen ook mensen die zonder formeel arbeidsmigratiecontract aankwamen en via pensions en landgenoten werk en huisvesting vonden. [26]

Verdieping — de haven als migratiemachine

Rotterdam was voor Kaapverdische zeelieden aantrekkelijk omdat de stad tegelijk werkplaats, overstappunt en informatienetwerk was. Een man hoefde niet met het plan “ik emigreer naar Nederland” uit Cabo Verde te vertrekken. Hij kon aanmonsteren, meerdere havens aandoen, in Rotterdam afmonsteren en via landgenoten tijdelijk onderdak en nieuw werk vinden.

Pensions waren daarom meer dan goedkope huisvesting. Zij functioneerden als informele arbeidsbemiddeling, postadres, informatiepunt en sociaal netwerk. Nieuwe aankomsten konden er horen welke rederij mensen zocht, wie een kamer had en welke papieren nodig waren. Zo werd migratie reproduceerbaar: één migrant maakte de route begrijpelijker voor de volgende.

Toen vrouwen en kinderen volgden, veranderde de gemeenschap. Wat begon als een overwegend mannelijke maritieme migratie werd steeds meer een stedelijke familie- en buurtgeschiedenis. Kerk, muziek, winkels, verenigingen en later professionals en ondernemers maakten van Rotterdam niet alleen een werkbestemming maar een blijvende Kaapverdische sociale ruimte.

Hoofdstuk — Van welke eilanden kwamen de eerste Rotterdammers?

De vroegste maritieme migratie naar Rotterdam was vooral verbonden met de noordelijke eilanden. Historisch onderzoek naar de Rotterdamse diaspora noemt in het bijzonder Santo Antão, São Vicente en São Nicolau. [14] Dat patroon hing samen met de positie van Mindelo/Porto Grande als internationale haven en met interne migratie: iemand kon op Santo Antão geboren zijn, via São Vicente aanmonsteren en in Rotterdam terechtkomen.

Daarom moet “vertrek uit São Vicente” niet automatisch worden gelezen als “afkomstig van São Vicente”. In een archipel verlopen migraties vaak in stappen. De haven is een doorgangspunt, geen volledige genealogie.

Verdieping — interne migratie vóór internationale migratie

Eilandherkomst moet zorgvuldig worden gelezen. Veel vroege migranten waren geboren op Santo Antão of São Nicolau maar hadden vóór vertrek al op São Vicente gewoond of gewerkt. Mindelo fungeerde als maritiem knooppunt waardoor mensen uit verschillende noordelijke eilanden in dezelfde scheepvaartnetwerken terechtkwamen.

Daardoor kan een Rotterdamse familie meerdere eilandlagen tegelijk hebben: grootouders uit Santo Antão, een periode in Mindelo, kinderen geboren in Rotterdam en familieleden elders in Europa. Die gelaagdheid is geen verlies van identiteit; het is precies hoe archipel- en diasporageschiedenis werken.

Hoofdstuk — Heemraadsplein, pensions en kettingmigratie

In Rotterdam ontstond rond Delfshaven en het Heemraadsplein een sociaal netwerk van pensions, cafés, winkels en ontmoetingsplekken. Nieuwe zeelieden konden via landgenoten aan informatie, onderdak, kleding en werk komen. Het Stadsarchief Rotterdam gebruikt dit netwerk in educatief materiaal om te laten zien hoe informele infrastructuur migratie mogelijk maakte. [26]

Dit is klassieke kettingmigratie, maar met een maritieme variant. Een eerste migrant stuurde geld en informatie terug, hielp een broer, neef, vriend of dorpsgenoot en bouwde zo een route waarop later anderen konden volgen.

Hoofdstuk — Havenarbeid en sociale positie

De eerste generatie vond veelal werk in scheepvaart, havengebonden arbeid, industrie en later ook schoonmaak en andere sectoren. Oudere CBS-analyses beschrijven een gemeenschap met relatief hoge arbeidsdeelname, maar gemiddeld lage opleidingsniveaus en veel werk op lagere beroepsniveaus. [13]

Die middenpositie is belangrijk: het verhaal is niet “mislukte integratie”, maar evenmin een romantisch succesverhaal. Betaalde arbeid gaf stabiliteit en zelfstandigheid, terwijl lichamelijk zwaar werk, beperkte opleiding en taalbarrières sociale mobiliteit konden beperken.

De haven was bovendien meer dan werkgever. Zij was een transnationaal systeem. Zeelieden bleven verbonden met andere havens, konden nieuws en goederen vervoeren en zagen Rotterdam niet noodzakelijk meteen als definitieve bestemming.

Hoofdstuk — Eerste generatie: mannen, vrouwen en gezinsvorming

De vroegste migratiestroom was sterk mannelijk. Dat veranderde toen relaties, gezinsvorming en gezinshereniging belangrijker werden. Vrouwen kwamen niet alleen als “volgende migranten”; zij werden centrale organisatoren van huishouden, sociale netwerken, kerk en economische stabiliteit.

CBS beschreef in 2004 de sleutelpositie van vrouwen in de Kaapverdische gemeenschap en wees op matrifocale familietradities. [13] De term moet voorzichtig worden gebruikt: zij betekent niet dat vaders irrelevant zijn, maar dat vrouwen in veel huishoudens en transnationale familierelaties een centrale organisatorische rol hebben.

Hoofdstuk — Tweede generatie: geboren of opgegroeid in Rotterdam

Toen kinderen in Nederland werden geboren of op jonge leeftijd arriveerden, veranderde de gemeenschap. School werd een nieuwe arena van identiteit. Nederlands kon de taal van onderwijs en werk zijn, Kriolu de taal van familie of emotie, terwijl Portugees daarnaast religieuze, culturele of internationale functies kon behouden.

De tweede generatie had gemiddeld andere kansen dan de eerste, maar niet iedereen bewoog hetzelfde pad. Oudere onderzoeken signaleerden onderwijsachterstanden en oververtegenwoordiging in lagere onderwijsniveaus, terwijl andere jongeren doorstroomden naar mbo, hbo en universiteit. [27]

De belangrijkste antropologische verandering is dat “terugkeer” voor een in Rotterdam geboren kind iets anders betekent dan voor een vader die in Santo Antão of São Vicente is geboren. Voor de één is Cabo Verde geboortegrond; voor de ander familiegrond.

Hoofdstuk — Derde generatie en meervoudige identiteit

Inmiddels zijn er gezinnen waarin meerdere generaties in Nederland zijn geboren. Het simpele schema “eerste generatie = Kaapverdisch, tweede = half Nederlands” werkt dan niet meer. Identiteit is geen afnemend percentage.

Een jongere kan Rotterdams zijn in accent en dagelijkse ervaring, Kaapverdisch in familie en muziek, Nederlands in burgerschap, verbonden met een specifiek eiland via grootouders, en tegelijk invloeden dragen uit andere familiegeschiedenissen. Dat is geen verwarring maar een normale diasporarealiteit.

Hoofdstuk — Verenigingen: eilanden worden opnieuw georganiseerd

Vanaf de jaren zeventig en tachtig ontstond in Rotterdam een breed landschap van Kaapverdische zelforganisaties. Onderzoek van António da Graça noemt onder meer organisaties met namen als Santo Antão, São Nicolau en Os Badios. Het eiland van herkomst kon een mobiliserend principe zijn voor sport, cultuur, ontmoeting en belangenbehartiging. [15]

Dat laat zien hoe diaspora een nationale identiteit niet alleen versterkt maar soms ook regionale identiteit bewaart. Buiten Cabo Verde konden mensen opnieuw ontdekken uit welk eiland, dorp of taalgebied hun familie kwam.

Hoofdstuk — Kerk, muziek en sociale infrastructuur

Religieuze gemeenschappen, cafés, muzieklabels, radio, feesten en verenigingen functioneerden als sociale infrastructuur. Zij hielpen nieuwe migranten, organiseerden activiteiten, onderhielden contact met Cabo Verde en gaven jongeren culturele referentiepunten.

Morabeza Records in Rotterdam is een bijzonder voorbeeld van cultureel ondernemerschap. De stad werd daarmee niet alleen ontvanger van Kaapverdische cultuur, maar ook een plaats waar die cultuur werd opgenomen, verspreid en opnieuw vormgegeven. [21]

Hoofdstuk — Onafhankelijkheidsstrijd vanuit Rotterdam

De Rotterdamse diaspora stond niet buiten de antikoloniale geschiedenis. Politieke organisatie, geldinzameling, muziek en cultuur konden vanuit Europa bijdragen aan bewustwording en solidariteit. Na de onafhankelijkheid in 1975 ontstonden nieuwe organisaties die zich richtten op steun aan het nieuwe land en op de positie van Kaapverdianen in Nederland. [15]

Hier raakt diaspora de Joy Enait-filosofie direct: een mens hoeft niet fysiek in het moederland te wonen om deel te nemen aan de discussie over diens toekomst.

Hoofdstuk — Sociale positie: niet één verhaal

De sociale positie van Kaapverdiaanse Nederlanders is in de tijd veranderd en verschilt sterk naar leeftijd, opleiding, gezin en migratiegeschiedenis. Een CBS-publicatie uit 2004 beschreef de gemeenschap als gemiddeld laagopgeleid en met een laag gemiddeld inkomen, maar met lagere werkloosheid dan sommige andere grote migrantengroepen van die periode. [13] Dit is een historisch beeld en mag niet als automatisch portret van 2026 worden gebruikt.

Recente CBS-tabellen gebruiken bovendien een vernieuwde herkomstindeling en publiceren niet altijd dezelfde gedetailleerde Kaapverdië-specifieke indicatoren als oudere studies. Daarom moet toekomstig onderzoek lokale Rotterdamse data, onderwijsdata en kwalitatieve interviews combineren in plaats van oude cijfers simpelweg door te trekken. [28]

Hoofdstuk — Rotterdam als cultureel archief

De Kaapverdische aanwezigheid is inmiddels onderdeel van het erfgoed van Rotterdam. Het Stadsarchief bewaart audiovisueel materiaal, muziekcollecties en verhalen. Evenementen zoals São João, onafhankelijkheidsvieringen en het Zomercarnaval maken de geschiedenis zichtbaar in de openbare ruimte. [21]

In een havenstad wordt cultuur niet alleen meegenomen; zij verandert de stad zelf. Rotterdam is daardoor niet enkel decor van Kaapverdische migratie, maar een plaats waar nieuwe vormen van Kaapverdiaans-zijn zijn ontstaan.

Joy Enait-filosofie — Rotterdam
Wie alleen vraagt “hoe goed zijn Kaapverdianen geïntegreerd?” begint al vanuit een Nederlandse meetlat. Een bredere vraag is: hoe hebben Kaapverdianen Rotterdam mede gevormd, en hoe heeft Rotterdam de Kaapverdische diaspora veranderd? Integratie is geen eenrichtingsverkeer.

 

 

DEEL IX — MALEEK, DIASPORA EN DE TOEKOMST

Hoofdstuk — Wat geef je een kind mee?

Voor Joy Enait wordt de geschiedenis uiteindelijk persoonlijk bij Maleek. Een kind met Kaapverdische wortels hoeft niet te bewijzen dat hij “genoeg” Kaapverdiaans is. Afkomst is geen examen.

Wat een ouder wel kan doen, is deuren openen: weten welke eilanden er zijn; begrijpen waarom Kriolu ontstond; leren dat Portugal niet de enige actor in de geschiedenis was; weten wat slavernij betekende; Amílcar Cabral kritisch leren lezen; horen hoe morna en batuku verschillende herinneringen dragen; begrijpen waarom Rotterdam zo veel Kaapverdische families huisvest; en familieleden vragen welke route hún geschiedenis heeft genomen.

Hoofdstuk — Familieonderzoek voor Maleek

Dit boek kan een tweede laag krijgen door oral history. Niet om familieverhalen automatisch als historisch feit te behandelen, maar om te onderzoeken hoe geschiedenis wordt herinnerd. Voor Maleeks eigen familie zou een interviewproject de volgende vragen kunnen gebruiken:

  • Van welk eiland, dorp of stadsdeel komt de familie?
  • Welke taalvariant werd thuis gesproken: Kriolu van welk eiland, Portugees, Nederlands of een combinatie?
  • Wie was de eerste in de familie die naar Nederland kwam, en in welk jaar?
  • Kwam die persoon rechtstreeks uit Cabo Verde, via Portugal of via een schip en andere havens?
  • Werkte iemand in scheepvaart, haven, industrie, schoonmaak, zorg, dienstverlening of ondernemerschap?
  • Waar woonde de familie eerst in Rotterdam of omgeving?
  • Welke rol speelden kerk, verenigingen, muziek, cafés of familiehuizen?
  • Welke gerechten, feesten en verhalen zijn behouden, veranderd of verdwenen?
  • Welke relaties bestaan vandaag met het eiland van herkomst?
  • Welke naam gebruikt de familie zelf voor haar identiteit — Kaapverdiaans, Cabo-verdiano, Nederlands-Kaapverdisch, Rotterdams of iets anders?

Hoofdstuk — De toekomst van Cabo Verde

De toekomst van Cabo Verde wordt mede bepaald door klimaatverandering, water, toerisme, migratie, taalbeleid, onderwijs, economische kansen en de verhouding tussen eilanden en diaspora. Diaspora is daarin geen buitenwereld; geldstromen, bezoeken, investeringen, ideeën en dubbele verbondenheid maken haar onderdeel van het nationale leven.

Dezelfde diaspora kan ook nieuwe ongelijkheden creëren. Wie in Europa verdient, heeft andere mogelijkheden dan familieleden op de eilanden. Toeristische ontwikkeling kan werk brengen en tegelijkertijd grond en woningmarkten veranderen. Een Joy Enait-analyse blijft daarom steeds vragen wie voordeel heeft, wie beslist en wiens kennis wordt gehoord.

Nawoord — Niet één Cabo Verde

Wanneer ik terugkijk op deze reis, zie ik niet één Cabo Verde.

Ik zie Santiago en Cidade Velha. Ik zie de bergen van Santo Antão. Ik zie Mindelo en de haven van São Vicente. Ik zie São Nicolau, Santa Luzia, Sal, Boa Vista, Maio, Fogo en Brava. Ik zie mensen die vertrokken en mensen die bleven. Ik zie katholieke processies en moderne kerken. Ik hoor Kriolu in verschillende ritmes. Ik hoor morna, batuku, funaná en coladeira.

Ik zie Amílcar Cabral, maar ook duizenden mensen van wie geen standbeeld bestaat. Zeelieden. Moeders. Arbeiders. Vissers. Landbouwers. Muzikanten. Kinderen. Migranten.

En ik zie Rotterdam.

Niet omdat Rotterdam een Kaapverdisch eiland is, maar omdat een diaspora laat zien dat een land ook buiten zijn grenzen kan wonen. In een familie. In een lied. In een kerk. In een haven. In een gerecht. In een taal die een kind van zijn grootouders hoort.

Voor Maleek hoop ik dat deze geschiedenis geen kooi wordt waarin hij moet bewijzen wie hij is. Ik hoop dat het een bibliotheek wordt waaruit hij kan putten.

Ken je geschiedenis. Onderzoek je identiteit. Erken de geschiedenis van de ander. En laat geen enkel rijk, geen enkele staat, geen enkele groep en ook geen enkele schrijver alleen bepalen wie jij moet zijn.

— Joy Enait

 

 

Tijdlijn — kernmomenten

Periode

Gebeurtenis

15e–17e eeuw

Cidade Velha groeit uit tot Atlantisch handels- en slavernijknooppunt; een vroege Creoolse samenleving ontwikkelt zich. [2]

ca. 1460–1462

Europese zeevaarders in Portugese dienst brengen de archipel in kaart. Er is geen overtuigend bewijs voor een eerdere permanente bevolking. [1][19][45]

1462

Duurzame koloniale vestiging begint op Santiago. António da Noli trekt met een kleine groep familieleden, dienaren en kolonisten naar Ribeira Grande; al vroeg worden Afrikaanse mensen uit de kustwereld van Opper-Guinee onder dwang naar het eiland gebracht. [43][45]

1466

Afonso V verleent inwoners van Santiago handels- en fiscale privileges om vestiging aantrekkelijker te maken en koppelt de kolonie zo direct aan handel met de kust van Guinee. [43][44]

1533

Ribeira Grande wordt bisschopszetel voor Cabo Verde en de Afrikaanse kust; religie, bestuur en Atlantische handel raken institutioneel verbonden. [29]

1585–1593

Francis Drake plundert Ribeira Grande; daarna wordt de verdediging versterkt en het Forte Real de São Filipe voltooid. [29]

1620

Povoação Velha op Boa Vista ontwikkelt zich rond zoutwinning en permanente bewoning.

17e–19e eeuw

Geleidelijke permanente bewoning van andere eilanden; Sal en São Vicente worden relatief laat duurzaam bevolkt. [3]

1712

Jacques Cassard verwoest Ribeira Grande; de langzame verschuiving van macht en handel naar Praia wordt zichtbaarder. [29]

1795

Georganiseerde vestigingspoging op São Vicente: João Carlos da Fonseca Rosado arriveert met Kaapverdische echtparen en tot slaaf gemaakte mensen; Nossa Senhora da Luz ontstaat. [16][47]

1796

Commerciële zoutwinning en permanente vestiging op Sal krijgen vorm rond Pedra de Lume; families uit Boa Vista en tot slaaf gemaakte mannen van de West-Afrikaanse kust behoren tot de vroege bewoners. [58]

1819–1821

Nieuwe families, vooral uit Santo Antão, worden naar São Vicente gebracht; de kleine bevolking groeit en de nederzetting wordt later Leopoldina genoemd. [16][47]

1838

Britse steenkoolbedrijven vestigen zich bij Porto Grande; Mindelo groeit uit tot internationale haven- en migratiestad. [16][47][48]

1842–1869

Kaapverdische archieven documenteren slavernij, vrijlating en de juridische overgang naar afschaffing; in 1869 verdwijnt slavernij als formele status, met overgangsverplichtingen die later eindigen. [34]

19e eeuw

Porto Grande/Mindelo wordt internationaal maritiem knooppunt; zeemanschap versterkt migratienetwerken. [16]

1866

Opening van het Seminário-Liceu op São Nicolau; het instituut wordt belangrijk voor religieuze én seculiere scholing. [57]

1885

Le Tour du Monde publiceert een gekleurde gravure van vrouwen en kinderen van Porto Grande/Mindelo, een waardevolle maar door een Europese blik gemaakte historische beeldbron. [63]

1896

Koloniale overheid formaliseert toezicht op prostitutie met het Regulamento de Polícia e Sanidade da Prostituição; registratie en medische controles worden ingevoerd. [48]

1939

Aanleg van een internationaal vliegveld op Sal versnelt de verschuiving van zout-economie naar luchtvaartknooppunt.

20e eeuw

Droogte, hongersnood en arbeidsmigratie blijven belangrijke sociale ervaringen. [22]

1950s–1960s

Kaapverdische zeelieden vestigen zich in Rotterdam; gemeenschap rond haven en Delfshaven groeit. [12][14]

1956

Oprichting PAIGC, verbonden met Amílcar Cabral en andere antikoloniale organisatoren. [1][23]

3 augustus 1959

Koloniaal geweld tegen stakende havenarbeiders bij Pidjiguiti in Bissau wordt een beslissend keerpunt in de strategie van de PAIGC. [36]

1963

De PAIGC begint de gewapende strijd in Portugees-Guinee; de oorlog vindt vooral op het vasteland plaats. [36][38]

1970s–1980s

Groei van Kaapverdische zelforganisaties in Rotterdam, inclusief eilandgerichte verenigingen. [15]

1973

Amílcar Cabral wordt in Conakry vermoord. [23]

24 september 1973

Guinee-Bissau roept eenzijdig onafhankelijkheid uit; Portugal erkent de staat in 1974. [38]

5 juli 1975

Onafhankelijkheid van Cabo Verde. [1][10]

november 1980

Staatsgreep in Guinee-Bissau beëindigt het politieke unieproject met Cabo Verde; in Cabo Verde ontstaat de PAICV. [38]

1991

Eerste meerpartijenverkiezingen en democratische machtswisseling. [1]

1996

Oprichting van de CPLP; de postkoloniale Portugeestalige samenwerking krijgt een breder multilateraal kader. [40]

2019

UNESCO erkent morna als immaterieel cultureel erfgoed. [5]

2021

Census: 72,5% van inwoners van 15+ identificeert zich als katholiek. [9]

2026

Rotterdam en Cabo Verde blijven cultureel, familiaal en institutioneel intens verbonden.

2026

Uitvoeringsprotocol tussen de regering en de katholieke kerk concretiseert het akkoord van 2013 over onder meer onderwijs, geestelijke en sociale bijstand, canoniek huwelijk, feestdagen en religieus erfgoed. [65]

 

 

Bronnen- en onderzoeksverantwoording

Beeldverantwoording

De foto’s en kaart in deze editie zijn geselecteerd uit Wikimedia Commons-beeldmateriaal en staan direct bij de relevante hoofdstukken. Onder ieder beeld staat een bronvermelding. Voor commerciële of formele publicatie moet per individueel bestand de actuele licentie en vereiste naamsvermelding opnieuw worden gecontroleerd.

Onderstaande lijst bevat de belangrijkste bronnen die in deze onderzoekseditie zijn gebruikt. De nummering correspondeert met de verwijzingen [n] in de tekst. Webbronnen zijn geraadpleegd in september 2026. Voor publicatie als definitief boek verdient het aanbeveling om per hoofdstuk aanvullende monografieën, archiefstukken en oral-history-interviews toe te voegen.

Nr.

Bron

Link / vindplaats

1

Ministério dos Negócios Estrangeiros de Cabo Verde, “História”. Kernbron voor officiële historische chronologie: onbewoonde eilanden bij Portugese aankomst, vestiging Santiago vanaf 1462, PAIGC, onafhankelijkheid 1975, meerpartijenstelsel 1991.

https://www.mne.gov.cv/web/guest/w/hist%C3%B3ria

2

UNESCO World Heritage Centre, “Cidade Velha, Historic Centre of Ribeira Grande”. Kernbron voor Atlantische slavenhandel en vroege Creoolse samenleving.

https://whc.unesco.org/en/list/1310

3

Ministério da Educação de Cabo Verde, Manual de História e Geografia de Cabo Verde, sectie “Povoamento das restantes ilhas”.

https://minedu.gov.cv/media/manuais/2020/10/07/Manual_HGCV_5_VDigital.pdf

4

UNESCO World Heritage Centre, Tentative List: Protected Areas Complex of Santa Luzia and Islets Branco and Raso.

https://whc.unesco.org/en/tentativelists/6101/

5

UNESCO Intangible Cultural Heritage, “Morna, musical practice of Cabo Verde”, inscribed 2019.

https://ich.unesco.org/en/RL/morna-musical-practice-of-cabo-verde-01469

6

APiCS Online, Survey chapter: Cape Verdean Creole of Santiago. Historische en taalkundige context van vroege Creoolvorming.

https://apics-online.info/surveys/30

7

Bart Jacobs (2010), “Upper Guinea Creole: Evidence in favor of a Santiago birth”, Journal of Pidgin and Creole Languages 25(2), 289–343.

https://benjamins.com/catalog/jpcl.25.2.04jac

8

Marlyse Baptista (2015), “Continuum and variation in Creoles: Out of many voices, one language”, Journal of Pidgin and Creole Languages 30(2), 225–264.

https://benjamins.com/catalog/jpcl.30.2.02bap

9

Instituto Nacional de Estatística Cabo Verde, V Recenseamento Geral da População e Habitação 2021, tabel religie/spiritualiteit.

https://ine.cv/wp-content/uploads/2022/11/estado-e-estrutura-da-populacao.pdf

10

Ministério de Agricultura e Ambiente Cabo Verde, “Historial” — onafhankelijkheid 5 juli 1975 en vroege staatsopbouw.

https://www.maa.gov.cv/index.php/maa/historia

11

Joy Enait, “Wie vertelt Suriname?”, ongepubliceerd manuscript, september 2026. Uitsluitend gebruikt als inspiratie voor het interpretatieve auteurskader, niet als feitelijke bron voor Cabo Verde.

Gebruikersmanuscript in deze conversatie

12

Centraal Bureau voor de Statistiek (2004), “Kaapverdianen in Nederland”. Bevolking, eerste migratie, Rotterdamse pensions en havencontext.

https://www.cbs.nl/-/media/imported/documents/2004/36/2004-k3-b-15-p085-art.pdf

13

Chan Choenni (CBS, 2004), “Kaapverdianen in Nederland”, Bevolkingstrends. Migratiemotieven, arbeid, onderwijs, inkomen en rol van vrouwen.

https://www.cbs.nl/-/media/imported/documents/2004/39/b-15-04-03.pdf

14

W. Verkerk, “The Cape Verdean diaspora in Rotterdam” (Erasmus Universiteit Rotterdam, scriptie; gebruikt met verwijzing naar Carling en Batalha). Eerste migratie vooral uit Santo Antão, São Vicente en São Nicolau.

https://thesis.eur.nl/pub/54489/Verkerk-W..pdf

15

António da Graça, Etnische zelforganisaties in het integratieproces (proefschrift). Ontwikkeling van Kaapverdische zelforganisaties in Rotterdam en rol van eilandherkomst.

https://pure.uvt.nl/ws/portalfiles/portal/1271912/proefschrift_antonio_da_graca_081010.pdf

16

Câmara Municipal de São Vicente, “Povoamento de São Vicente”. Ontwikkeling van Porto Grande/Mindelo en migratie van naburige eilanden.

https://cmsv.cv/povoamento-de-sao-vicente/

17

UNESCO World Heritage Centre, Tentative List “Salines de Pedra de Lume”. Historische context van Sal, droogte en zoutwinning.

https://whc.unesco.org/en/tentativelists/6106

18

Jørgen Carling, onderzoek naar Kaapverdische migratiepatronen; geciteerd in diasporastudies. Belang Noordwest-Europa voor São Vicente/Santo Antão en VS voor Fogo/Brava.

Zie o.a. Transnational Archipelago (Amsterdam University Press, 2008) en gerelateerde publicaties

19

Ministério da Educação de Cabo Verde, lesmateriaal “Cabo Verde, Um Pouco de História” over vijftiende-eeuwse naamgeving en eilandgroepen.

https://minedu.gov.cv/media/manuais/2020/10/15/Manual_L%C3%ADngua_Portuguesa_5%C2%BA_ANO_Digital.pdf

20

Community report / historische studies over Kaapverdianen in Rotterdam: rol katholieke parochie en religieuze organisaties. Te gebruiken als secundaire bron en bij voorkeur te trianguleren met archief/interviews.

https://adoc.pub/download/community-report-kaapverdianen-in-rotterdam.html

21

Stadsarchief Rotterdam, “Cesária Évora en Rotterdam: een bijzondere band”. Morabeza Records, cultureel erfgoed en vieringen in Rotterdam.

https://stadsarchief.rotterdam.nl/cesaria-evora-en-rotterdam-een-bijzondere-band

22

Cambridge/Itinerario, “Imagining a Better Future: Anti-colonial Protest and Social Debates in Santo Antão, Cabo Verde, 1945–1975”. Droogte, hongersnood en arbeidsmigratie.

https://www.cambridge.org/core/journals/itinerario/article/imagining-a-better-future-anticolonial-protest-and-social-debates-in-santo-antao-cabo-verde-19451975/6EAA12A72350685CEFE74B51A2DADE05

23

PAIGC, biografische pagina Amílcar Lopes Cabral. Geboorte, opleiding, PAIGC en overlijden; voor interpretatie aangevuld met academische literatuur.

https://paigc.gw/amilcar-cabral/

24

African Studies Review / Cambridge, recente historiografische bespreking van Cabral en de revolutie. Gebruikt om verschillende interpretaties zichtbaar te houden.

https://www.cambridge.org/core/journals/african-studies-review/article/cabral-and-revolution-in-portuguesespeaking-africa/404D4B84DB4F19C4617018C5E242D18A

25

Port of Rotterdam / Havenkrant, “In Delfshaven kom ik thuis”. Hedendaagse diasporastem en metafoor Rotterdam als “elfde eiland”.

https://publications.portofrotterdam.com/havenkrant-71/in-delfshaven-kom-ik-thuis

26

Stadsarchief Rotterdam / LessonUp, “Kaapverdianen in Rotterdam 1: Het ontstaan van de Kaapverdiaanse gemeenschap”. Educatieve reconstructie van haven, Heemraadsplein en pensions.

https://www.lessonup.com/nl/lesson/Lrou9KzKrwb5Z85Fr

27

Kunstfactor (2012), Verkenning kunstbeoefening Kaapverdianen. Samenvatting van demografie, arbeid, onderwijs en cultuur in Nederland rond 2011.

https://catalog.boekman.nl/pub/P12-0163.pdf

28

CBS, “Bevolking; herkomstland, geboorteland, leeftijd, regio, 1 januari” en methodologische toelichting op vernieuwde herkomstindeling.

https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/85458NED

29

ICOMOS/UNESCO, Evaluation of Cidade Velha, Historic Centre of Ribeira Grande (World Heritage nomination no. 1310). Detailbron voor bisschopszetel 1533, plantentransfers, Francis Drake 1585, Forte Real de São Filipe 1593, Jacques Cassard 1712 en de verschuiving naar Praia.

https://whc.unesco.org/document/152321

30

Toby Green (2011), “The Settlement of Cabo Verde and Early Signs of Creolisation in Western Africa”, in The Rise of the Trans-Atlantic Slave Trade in Western Africa, 1300–1589. Over Santiago, Opper-Guinee en vroege Atlantische Creoolse netwerken.

https://www.cambridge.org/core/books/abs/rise-of-the-transatlantic-slave-trade-in-western-africa-13001589/settlement-of-cabo-verde-and-early-signs-of-creolisation-in-western-africa/AD2C464467FE96D02EAA7A39D0BDB3D0

31

Walter Rodney, “Portuguese attempts at Monopoly on the Upper Guinea Coast, 1580–1650”, The Journal of African History. Over Santiago als administratief/fiscaal knooppunt, lançados en Portugese monopoliepogingen.

https://www.cambridge.org/core/journals/journal-of-african-history/article/abs/portuguese-attempts-at-monopoly-on-the-upper-guinea-coast-15801650/826C29BEB6C1B85FD2AB5468A831B062

32

Linda A. Newson (2012), “Africans and Luso-Africans in the Portuguese Slave Trade on the Upper Guinea Coast in the Early Seventeenth Century”, The Journal of African History 53(1).

https://www.cambridge.org/core/journals/journal-of-african-history/article/africans-and-lusoafricans-in-the-portuguese-slave-trade-on-the-upper-guinea-coast-in-the-early-seventeenth-century/DD5C55CCA09BCDCB21C1A62D7CEF17EA

33

Malyn Newitt (red.), The Portuguese in West Africa, 1415–1670, hoofdstuk over Cacheu; aangevuld met Walter Hawthorne, From Africa to Brazil. Voor de verbinding Cabo Verde–Cacheu/Bissau en de slavenhandel vanuit Opper-Guinee.

https://www.cambridge.org/core/books/abs/portuguese-in-west-africa-14151670/people-and-places/8F93E323F6CFE3F465644038528C6840

34

UNESCO Memory of the World (2025), “Documents on Slavery in the Archives of the General Secretariat of the Government (Cabo Verde, 1842–1869)” en “Census of slaves in Angola, Cape Verde and Mozambique”.

https://www.unesco.org/en/memory-world/documents-slavery-archives-general-secretariat-government-cabo-verde-1842-1869

35

George E. Brooks, “Cabo Verde: Gulag of the South Atlantic: Racism, Fishing Prohibitions, and Famines”, History in Africa. Kritische studie van koloniale beperkingen, droogte en hongersnoden.

https://www.cambridge.org/core/journals/history-in-africa/article/cabo-verde-gulag-of-the-south-atlantic-racism-fishing-prohibitions-and-famines1/E883F45C2DE0E6574DFC6F572C361CAA

36

Desmond Fonseca (2025), “Underground Revolutionaries: The PAIGC, Leninism, and the Decolonization of Cabo Verde”, African Studies Review. Over vroege PAIGC-netwerken, koloniale statusverschillen, Pidjiguiti en clandestiene organisatie.

https://www.cambridge.org/core/journals/african-studies-review/article/underground-revolutionaries-the-paigc-leninism-and-the-decolonization-of-cabo-verde/92E335148D59A0DFD3AE80845B0F5AF9

37

Amílcar Cabral, Unity and Struggle: Selected Speeches and Writings. Primaire bron voor Cabrals eigen argumenten over bevrijding, cultuur, Guinee en Cabo Verde; steeds gelezen als politieke bron van een deelnemer.

https://www.cambridge.org/core/books/unity-and-struggle/1A3DB298D984036678DAFBFB95917E68

38

“Brother and a Comrade” / The Tricontinental Revolution en de inleiding van African Islands (Cambridge). Voor de gezamenlijke Guinee–Cabo Verde-strijd, de verschillende koloniale posities en de breuk van 1980.

https://www.cambridge.org/core/books/tricontinental-revolution/brother-and-a-comrade/640870C449C0E6F1E6F68FDC07AEB009

39

Europese Commissie, EU–PALOP-TL partnerschap. Officiële bron voor PALOP als de vijf Afrikaanse landen met Portugees als officiële taal en hun latere samenwerkingskader.

https://international-partnerships.ec.europa.eu/news-and-events/news/30-years-partnership-eu-and-palop-tl-countries-strengthen-cooperation-extraordinary-ministerial-2023-03-01_en

40

CPLP, “Declaração Constitutiva” en historisch overzicht. Bron voor oprichting van de Comunidade dos Países de Língua Portuguesa op 17 juli 1996 en onderscheid met PALOP.

https://www.cplp.org/organizacao/documentos-fundadores/declaracao-constitutiva/

41

Walter Hawthorne (2012), From Africa to Brazil, hoofdstukken over Bissau en Cacheu. Voor achttiende-eeuwse slavenhandel vanuit Opper-Guinee naar Maranhão en Pará.

https://www.cambridge.org/core/books/abs/from-africa-to-brazil/slave-production/53D24BA43A530F12DC02E0DBDE0B068D

42

Alexander Keese (2024), “Between Land Reform and Postcolonial Frustration”, The Journal of African History. Voor lokale oppositie op Santo Antão tijdens de PAIGC/PAICV-eenpartijperiode.

https://www.cambridge.org/core/journals/journal-of-african-history/article/between-land-reform-and-postcolonial-frustration-understanding-the-social-roots-of-local-opposition-to-the-paigcpaicv-in-santo-antao-cabo-verde-197591/F9EFDDA6583D3125385526B149156240

43

HPIP — Heritage of Portuguese Influence / Fundação Calouste Gulbenkian, “Ribeira Grande / Cidade Velha”. Voor Santiago als gekozen vestigingseiland, António da Noli, de vroege kolonistengroep en de handelsprivileges van 1466.

https://hpip.org/en/Contents/Place/558

44

Encyclopaedia of Portuguese Expansion (NOVA FCSH), “D. Afonso V”. Voor de Portugese kroonpolitiek rond Guinee, maritieme hegemonie, kerkelijke invloed en de handelsvrijheid van 1466 als stimulans voor bevolking van Santiago.

https://eve.fcsh.unl.pt/en/people/d-afonso-v-b-1432-r-1438-1481

45

Filipa Ribeiro da Silva (2024), “Origins of Slavery in Cabo Verde and São Tomé and Príncipe”, Oxford Research Encyclopedia of African History / IISH. Voor slavernij vanaf het ontstaan van de koloniale samenleving en de centrale rol van tot slaaf gemaakte en vrijgemaakte Afrikanen in bevolking, economie en Creoolvorming.

https://pure.knaw.nl/portal/en/publications/the-origins-of-slavery-in-cape-verde-and-s%C3%A3o-tom%C3%A9-and-pr%C3%ADncipe/

46

Beleza et al. / genetisch-taalkundige studie (2023), “A genetic and linguistic analysis of the admixture histories of the islands of Cabo Verde”. Voor het sterk sekse-asymmetrische patroon van de vroege bevolkingsvorming op Santiago; gebruikt als aanvullende bron naast historische documentatie, niet als definitie van cultuur of identiteit.

https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC10322156/

47

APiCS Online, “Cape Verdean Creole of São Vicente”, sociohistorical background. Voor de eerste georganiseerde vestiging van 1795, de komst van circa twintig echtparen en ongeveer vijftig tot slaaf gemaakte mensen, latere immigratie uit Santo Antão/São Nicolau en Portugal/Madeira/Azoren, intensieve raciale vermenging en de demografische ontwikkeling van São Vicente.

https://apics-online.info/surveys/32

48

Francisca Gomes Pires (2015), O Porto Grande e a Urbe Mindelense na Aurora da Contemporaneidade (1850–1914), masterscriptie Geschiedenis, Universidade Nova de Lisboa. Gebaseerd op o.a. Boletim Oficial, Arquivo Histórico Nacional de Cabo Verde en Arquivo Histórico Ultramarino. Voor havenarbeid van vrouwen, migratie, sekseverhoudingen, prostitutie, syfilis en het prostitutiereglement van 1896.

https://run.unl.pt/handle/10362/15305

49

Luís Batalha (2004), The Cape Verdean Diaspora in Portugal: Colonial Subjects in a Postcolonial World. Lexington Books. Antropologische kernbron voor regionale, raciale en klassenverschillen en de Badiu/Sampadjudu-tegenstelling.

https://search.worldcat.org/title/54499931

50

Elizabeth Pilar Challinor (2011), “Identidade e pertença: para além das dimensões materiais do sofrimento social”, Etnográfica 15(3), 479–500. Behandelt onder meer Badiu/Sampadjudu-rivaliteit en de mogelijke raciale lading ervan in de diaspora. DOI: 10.4000/etnografica.1044.

https://journals.openedition.org/etnografica/1044

51

Juliana Braz Dias (2010), “Sentimentos Vividos: experiências com a música cabo-verdiana”, Música e Cultura, n.º 5. Etnografische bespreking van São Vicente, morna en de symbolische tegenstelling Badiu/Sampadjudu; vermeldt ook een alternatieve historische verklaring voor sampadjudu.

https://www.abet.mus.br/wp-content/uploads/2021/12/2_vol_5_dias.pdf

52

Tiago Mouta (2019), Bo, tu e você: vértices do triângulo das Bermudas do sistema de tratamento do emergente português de Cabo Verde. Universidade Aberta, masterthesis. Bespreekt Badiu/Sampadjudu als regionale taal- en identiteitscategorieën en benadrukt dat populaire etymologieën van sampadjudu niet overtuigend vaststaan.

http://hdl.handle.net/10400.2/10048

53

Juan Antonio Jiménez Sanabria (2026), “El criollo caboverdiano: de la marginalización colonial a la legitimidad cultural”, Arbor. Over ontstaansgeschiedenis, koloniale marginalisering en hedendaagse status van Kriolu.

https://doi.org/10.3989/arbor.2026.815.3038

54

Natalia Czopek (2016), “From an oral language without writing to the writing of an oral language: the case of Cape Verdean Creole from the islands of Barlavento and Sotavento”, Études romanes de Brno 37(1).

https://doi.org/10.5817/ERB2016-1-2

55

Jean Drèze & Amartya Sen, Hunger and Public Action / The Political Economy of Hunger, hoofdstukken over famine prevention in Cape Verde. Vergelijkt historische hongersnoden met latere publieke preventie.

https://academic.oup.com/book/2070/chapter/141987885

56

George E. Brooks (2006), “Cabo Verde: Gulag of the South Atlantic: Racism, Fishing Prohibitions, and Famines”, History in Africa 33, 101–135.

https://doi.org/10.1353/hia.2006.0008

57

José Vicente Lopes e.a. / studie naar het Seminário-Liceu van São Nicolau; aangevuld met “Trent Postponed: The Projects for the Establishment of the Tridentine Seminary in Cape Verde (1570–1866)”, Religions (2026).

https://www.mdpi.com/2077-1444/17/6/626

58

Instituto do Património Cultural de Cabo Verde, “Salinas de Pedra de Lume, Património Nacional”. Over zoutwinning, vestiging, arbeid en sociale infrastructuur op Sal.

https://ipc.cv/monumento-e-sitio/salinas-de-pedra-de-lume-patrimonio-nacional/

59

National Park Service / New Bedford Whaling National Historical Park (2023), “New Bedford Communities of Whaling: People of Wampanoag, African, and Portuguese Island Descent, 1825–1925”, met hoofdstuk over Kaapverdianen en Brava in de walvisvaart.

https://www.nps.gov/nebe/learn/historyculture/upload/NEBE_Ethnographic_1825-1925_FY22_508.pdf

60

Wikimedia Commons, Caspar Schmalkalden, “Sanct Jago, auf derselben Insel”, ca. 1646, aquarel van Cidade Velha/Ribeira Grande. Publiek domein.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sanct_Jago,_auf_derselben_Insel_-_Caspar_Schmalkalden.jpg

61

Wikimedia Commons, Alain Manesson Mallet, “Map of the Cape Verde Islands, 1683”. Publiek domein.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Map_of_the_Cape_Verde_Islands,_1683.jpg

62

Wikimedia Commons, “Old postcard SaoVicente1.jpg”, historisch ansichtbeeld van Mindelo/São Vicente. Publiek domein.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Old_postcard_SaoVicente1.jpg

63

Wikimedia Commons, Ronjat/Barbant, “Femmes et Enfants de Porto Grande (Cap-Vert)”, 1885. Publiek domein.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Femmes_et_Enfants_de_Porto_Grande_(Cap-Vert)_-_1885.jpg

64

Wikimedia Commons, “Cabral 1.png”, portret van Amílcar Cabral, 2 september 1948. Bronpagina vermeldt publiek-domeinstatus.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Cabral_1.png

65

Boletim Oficial da República de Cabo Verde, Decreto n.º 6/2026, de 26 de maio. Protocolo de implementação do Acordo entre a República de Cabo Verde e a Santa Sé; bron voor de actuele institutionele positie van de katholieke kerk, onderwijs, bijstand, huwelijk, feestdagen en religieus erfgoed.

https://boe.incv.cv/Bulletins/View?id=101554

66

Assembleia Nacional de Cabo Verde, Constituição da República, art. 49 (liberdade de consciência, religião e culto). Bron voor het recht om een religie te belijden of niet te belijden en het verbod op discriminatie op religieuze gronden.

https://www.parlamento.cv/Constituicao/

67

Observatório das Migrações / Ministério dos Negócios Estrangeiros, Cooperação e Integração Regional, II Estudo sobre a Integração Social dos Imigrantes em Cabo Verde (vragenlijst 2022). Bron voor herkomst, vestiging, arbeid, integratie, discriminatie en het gebruik van “Mandjaku”.

https://om-mne.gov.cv/np4/file/155/II_Estudo_sobre_a_Integra__o_social_dos_.pdf

68

Ministério da Educação de Cabo Verde, Caderno Experimental — História e Geografia de Cabo Verde, 6.º Ano (2020). Over religieuze/traditionele feesten, São João, São Pedro en eilandgebonden gemeenschapspraktijken.

https://minedu.gov.cv/media/manuais/2020/10/07/Caderno_Experimental_Hist%C3%B3ria_e_Geografia_de_Cabo_Verde_6%C2%BA_Ano.pdf

69

“Rabelados de Espinho Branco: identidade e (r)existência em perspectiva contracolonial ao enfrentamento da recolonialidade”, Horizontes Antropológicos / SciELO (2026). Over religieus verzet op Santiago, vervolging, repressie en sociale uitsluiting van Rabelados.

https://www.scielo.br/j/ha/a/JVvVNZBszKKDZtngqgjZBTN/?format=html&lang=pt

70

José Carlos Gomes dos Anjos & Eufémia Vicente, “Traços de antinegritude em Cabo Verde”, Sociologias 24(59), 2022, p. 108–136. Over de generaliserende en pejoratieve categorie “Mandjaku” voor West-Afrikaanse migranten en de relatie met antinegritude.

https://www.scielo.br/j/soc/a/5DXB9BLXMyMNzNkwb5Wj5CS/

Historische beelden — bronselectie voor deze beeldeditie

Naast de reeds opgenomen historische foto van Amílcar Cabral zijn voor de verdere beeldredactie de volgende publieke archiefbeelden geselecteerd. De bronpagina’s zijn opgenomen zodat herkomst, datering en licentie controleerbaar blijven.

  • Cidade Velha/Ribeira Grande rond 1646 — aquarel van Caspar Schmalkalden, “Sanct Jago, auf derselben Insel”. Publiek domein. Wikimedia Commons: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sanct_Jago,_auf_derselben_Insel_-_Caspar_Schmalkalden.jpg
  • Kaart van de Kaapverdische eilanden, 1683 — Alain Manesson Mallet. Publiek domein. Wikimedia Commons: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Map_of_the_Cape_Verde_Islands,_1683.jpg
  • Oud ansichtbeeld van Mindelo/São Vicente, vroege twintigste eeuw. Publiek domein. Wikimedia Commons: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Old_postcard_SaoVicente1.jpg
  • “Femmes et Enfants de Porto Grande (Cap-Vert)”, 1885 — gravure van Ronjat/Barbant, gepubliceerd in Le Tour du Monde. Publiek domein. Wikimedia Commons: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Femmes_et_Enfants_de_Porto_Grande_(Cap-Vert)_-_1885.jpg
  • Amílcar Cabral, portret uit 1948. Publiek domein volgens de bronvermelding op Wikimedia Commons. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Cabral_1.png

Aanbevolen volgende onderzoeksfase

  • Oral-history-interviews met Kaapverdische Rotterdammers uit drie generaties, met expliciete toestemming en duidelijke afspraken over anonimiteit/publicatie.
  • Archiefonderzoek in Stadsarchief Rotterdam naar pensions, Morabeza Records, lokale media, verenigingen en onafhankelijkheidsactiviteiten.
  • Archiefonderzoek in Cabo Verde naar eiland-specifieke migratieregisters en onderwijs-, kerk- en havenarchieven.
  • Gezamenlijk archiefonderzoek in Praia, Cacheu en Bissau naar de historische verbinding tussen Cabo Verde en Guinee-Bissau, inclusief koloniale ambtenaren, handelsfamilies, PAIGC-netwerken en persoonlijke dossiers van tot slaaf gemaakten en vrijgemaakten.
  • Een aparte bronnenlaag met Kaapverdische auteurs en wetenschappers in het Portugees en Kriolu, zodat Nederlandse en Engelstalige literatuur niet opnieuw het perspectief domineert.
  • Feitencontrole per eiland door lokale historici of culturele instellingen voordat het manuscript als definitief publieksboek wordt uitgegeven.