JEMEN
Van Saba en tribale orde tot imperiale grenzen, revolutie en de Houthi-oorlog
Een diep historisch essay van Joy Enait — cultureel antropoloog en onderzoeker van Jemen en de Houthi-beweging
Antikoloniale analyse met feiten, interpretatie en bronkritiek bewust van elkaar onderscheiden
Stand van zaken: 18 september 2026
Leeswijzer en methodische verantwoording
Dit essay presenteert en verdiept het onderzoek van Joy Enait naar Jemen. Enaits publieke profiel noemt Jemen expliciet als een van de conflictgebieden waarnaar hij als cultureel antropoloog onderzoek heeft gedaan. Op zijn eigen website wordt zijn Jemen-onderzoek beschreven als een diepgaande analyse van de oorlog, met bijzondere aandacht voor de Houthi-beweging, de rol van stammen, historische marginalisering en buitenlandse inmenging. Die onderzoekspositie vormt hier geen losse “filosofische bril”, maar het inhoudelijke vertrekpunt van de auteur. Enaits bredere antikoloniale methode stelt daarnaast vragen over wie geschiedenis vertelt, wie groepen benoemt, welke machtsstructuren als normaal worden voorgesteld en hoe koloniale categorieën in hedendaagse politieke analyse kunnen doorwerken. (Joy Enait, joyenait.nl; Youngantropoloog.nl, geraadpleegd 17 september 2026.)
Joy Enait als onderzoeker van Jemen
In Enaits eigen publieke onderzoeksbeschrijving staan de Houthis niet uitsluitend als een door Iran aangestuurde “proxy” centraal. Hij plaatst hun opkomst in de geschiedenis van Noord-Jemen, Zaydi-gemeenschappen, regionale marginalisering, tribale netwerken en de verhouding tussen lokale bescherming en staatsmacht. Tegelijk beschrijft hij buitenlandse inmenging — waaronder die van Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Iran — als een factor die lokale conflicten heeft verdiept en burgers onevenredig treft. Het doel van dit essay is daarom de Houthi-beweging historisch en antropologisch te analyseren zonder haar tot één externe sponsor, één religieuze identiteit of één veiligheidslabel te reduceren, maar ook zonder misstanden van de beweging of andere oorlogspartijen te verdoezelen.
Joy Enait als analytische methode, niet als autoriteitsstempel
In dit essay betekent de “Joy Enait-bril”: begin Jemen niet bij 1839, 1962 of 2015; vraag wie de categorieën “stam”, “rebellen”, “staat”, “orde”, “terrorisme”, “beschaving” en “modernisering” definieert; onderzoek wie toegang heeft tot land, havens, wapens, kennis en internationale legitimiteit; en laat lokale Jemenitische geschiedenis niet verdwijnen achter de agenda’s van Londen, Istanbul, Riyad, Teheran, Washington of Moskou. Tegelijk wordt geen enkele Jemenitische actor geromantiseerd. Ook binnenlandse elites, autoritaire staten en gewapende bewegingen moeten op hun eigen machtsuitoefening worden beoordeeld.
De politieke en militaire situatie in Jemen is in september 2026 opnieuw sterk in beweging. Waar oudere analyses vaak uitgaan van de relatief bevroren fronten na de VN-bemiddelde wapenstilstand van 2022, berichtte Reuters op 17 september 2026 over hernieuwde directe gevechten tussen Saoedi-Arabië en de Houthi-beweging, inclusief luchtaanvallen, raket- en droneaanvallen en nieuwe verplaatsingen van burgers. Daarom worden recente ontwikkelingen steeds met datum en bron benoemd; zij moeten niet worden gelezen alsof ze al een definitief historisch eindpunt vormen. (Reuters, 15–17 september 2026.)
De term “stam” of “tribe” wordt in dit essay gebruikt omdat hij in de Jemenitische en academische literatuur een reële sociale en politieke betekenis heeft, maar niet als synoniem voor “primitief”, “staatloos” of “gewelddadig”. Antropologen als Paul Dresch en Shelagh Weir laten juist zien dat tribale gemeenschappen regels, territoriale grenzen, bemiddelingsprocedures, beschermde ruimten en mechanismen voor collectieve besluitvorming bezaten die langdurig naast islamitische rechtspraak en staten konden bestaan. “Clan” is daarom slechts soms passend; lokale termen, genealogische segmenten en confederaties verschillen per streek.
Kernvraag
Hoe werd een gebied met oude stedelijke beschavingen, handelsnetwerken, tribale en religieuze rechtsordes, regionale rijken en twee twintigste-eeuwse staten een slagveld waarop lokale machtsstrijd, imperiale erfenissen, grensvorming, Koude Oorlog, Saoedisch-Iraanse rivaliteit, Amerikaanse veiligheidsbelangen en de strijd om de Rode Zee over elkaar heen kwamen te liggen — en waarom wordt de prijs daarvan zo onevenredig door burgers betaald?
Inhoud
- Voor “Jemen”: geografie en de oude Zuid-Arabische wereld
- Saba, Ma’in, Qataban, Hadramawt en Himyar
- Tribale orde, clans, recht, dagelijks leven en qat
- Islam, Zaydi-imamaat en regionale dynastieën
- De Ottomanen: twee imperiale perioden
- Groot-Brittannië in Aden: haven, protectoraat en koloniale kennis
- Noord en Zuid: revoluties, burgeroorlog en Koude Oorlog
- Eenwording, de oorlog van 1994 en het Saleh-systeem
- De geboorte van de Houthi-beweging en de Saada-oorlogen
- 2011–2015: opstand, mislukte transitie en regionale interventie
- Iran, Saoedi-Arabië, VAE, VS en Rusland
- Rode Zee, Gaza-context, 2025 en de escalatie van 2026
- Waarom de humanitaire crisis zo diep is
- De Joy Enait-bril: macht, taal, soevereiniteit en continuïteit
- Conclusie
- Bijlage A. Chronologie
- Bijlage B. Belangrijkste historische en politieke figuren
- Bronnen en beeldverantwoording
FOTO 1 — Ruïnes van het oude Ma’rib
Ruïnes in Marib, het kerngebied van het Sabaeïsche rijk.
Archiefbeeld: Bernard Gagnon, 18 augustus 1986, Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Ancient_Ma%27rib_01.jpg
Opmerking: de bron en licentie zijn opgenomen zodat het originele beeld controleerbaar en herbruikbaar blijft.
Antikoloniale bronkritiek: wanneer kennis een bestuursinstrument wordt
Britse koloniale documenten over “Arab tribes” bevatten waardevolle genealogieën, verdragen en lokale informatie. Maar de Library of Congress beschrijft het standaardwerk An Account of the Arab Tribes in the Vicinity of Aden (1909) expliciet als een etnografie die voor Britse bestuurders en het leger werd samengesteld. De kennisproductie was dus niet neutraal: classificeren hielp verdragen sluiten, grensgebieden beheren, bondgenoten selecteren en “orde” definiëren. Een Joy Enait-benadering gebruikt zo’n bron, maar vraagt tegelijk waarom zij werd gemaakt, voor wie, en welke Jemenitische stemmen erdoor worden gefilterd.
1. Voor “Jemen”: landschap, bronnen en de oude Zuid-Arabische wereld
Wie de geschiedenis van Jemen uitsluitend begint bij de republiek van 1990, de Houthi-oorlogen of zelfs de komst van de islam, begint feitelijk midden in een veel ouder verhaal. Het gebied dat tegenwoordig de Republiek Jemen heet, bestond eeuwenlang uit meerdere ecologische en politieke werelden: de regenrijke westelijke hooglanden; de Tihama langs de Rode Zee; de oostelijke plateaus en woestijnranden; de valleien van Hadramawt; de havenwerelden van Aden en de zuidkust; en het noordelijke grensgebied dat historisch in nauwe verbinding stond met Najran en Asir. Geen van die regio’s was permanent onder één centraal gezag verenigd. Het is daarom historisch misleidend om de moderne landsgrens terug te projecteren alsof er door de eeuwen heen één onveranderlijke Jemenitische staat bestond.
Een antikoloniale lezing, zoals Joy Enait die in zijn bredere werk hanteert, betekent hier niet dat iedere buitenlandse invloed automatisch als oorzaak van alle problemen wordt aangewezen. Het betekent eerst en vooral dat de chronologie niet wordt begonnen waar Europese imperiale archieven beginnen, en dat lokale categorieën, inscripties, genealogieën, landbouwsystemen en herinneringsculturen serieus worden genomen. De Britse bezetting van Aden en de Ottomaanse aanwezigheid waren belangrijk, maar zij kwamen terecht in een samenleving die al een lange geschiedenis van koninkrijken, religieuze transformaties, tribale confederaties, stedelijke elites, handel, migratie en regionale rivaliteit bezat.
1.1 Hoe kennen we het oude Jemen? Inscripties, archeologie en latere kronieken
De reconstructie van het pre-islamitische verleden steunt niet op één type bron. Voor de oude Zuid-Arabische periode zijn duizenden monumentale en kleinere inscripties in Sabaic, Minaic, Qatabanic en Hadramitic essentieel. Deze teksten zijn geschreven in het Zuid-Arabische musnad-schrift en behandelen onderwerpen die veel breder zijn dan koninklijke propaganda: militaire campagnes, irrigatie, tempelgiften, eigendom, handel, verdragen, familierelaties en religieuze verplichtingen. Christian Julien Robin heeft laten zien hoe epigrafie de politieke en religieuze kaart van Zuid-Arabië kan corrigeren waar latere literaire tradities te algemeen of anachronistisch worden. Peter Stein heeft via paleografie en gedateerde inscripties de chronologie van het schrift verder verfijnd. Robert Hoyland combineert epigrafische, Grieks-Romeinse, Syrische, Ethiopische en Arabische bronnen om te voorkomen dat het pre-islamitische schiereiland uitsluitend door latere islamitische teksten wordt bekeken. (Robin, 2015; Stein, 2013; Hoyland, 2001.)
Voor de overgang naar de islam is de bronpositie moeilijker. Veel verhalen over de missies van de profeet Mohammed naar Jemen, de bekering van stammen en de opstand van al-Aswad al-Ansi zijn overgeleverd in islamitische geschiedschrijving die generaties na de gebeurtenissen schriftelijk werd vastgelegd. Dat maakt deze bronnen niet waardeloos, maar vraagt om bronkritiek: wat is vroeg, wat is later geordend tot een coherent religieus verhaal, en welke politieke belangen beïnvloedden de herinnering? Moderne historici vergelijken daarom kronieken, biografische tradities, genealogieën, numismatiek, inscripties en de bekende politieke context van laat-antiek Zuid-Arabië. De New Cambridge History of Islam en het werk van G. Rex Smith zijn voor deze overgang belangrijk omdat zij Jemen behandelen als een eigen historisch veld, niet als een voetnoot bij Mekka of Damascus. (Smith, 1997; Robinson, ed., 2010.)
Een derde bronlaag wordt gevormd door middeleeuwse Jemenitische auteurs zelf. Abu Muhammad al-Hasan al-Hamdani (tiende eeuw) is hier onmisbaar. Zijn geografische en genealogische werken bewaren informatie over plaatsen, stammen, dialecten, mijnbouw, landbouw en herinneringen aan pre-islamitische genealogieën. Al-Hamdani schreef eeuwen na Saba en Himyar en moet dus niet als directe getuige van die rijken worden gelezen, maar zijn werk maakt duidelijk dat genealogie in Jemen geen triviale familielijst was. Zij was een taal waarmee groepen hun plaats in het landschap, hun prestige en hun politieke relaties verklaarden. Latere kroniekschrijvers, waaronder auteurs uit Zaydi, Isma‘ili, Rasulidische en Tahiridische milieus, voegden daar telkens eigen perspectieven aan toe. Historische kennis over Jemen is daarom zelf onderdeel van machtsgeschiedenis: wie schrijft, bepaalt mede welke genealogie, dynastie of stad centraal komt te staan.
1.2 Geografie als politieke factor: bergen, wadi’s, terrassen en havens
De westelijke hooglanden behoren tot de meest intensief gecultiveerde berggebieden van het Arabisch Schiereiland. Terrassenbouw maakte landbouw mogelijk op steile hellingen en vergde collectieve arbeid aan muren, waterafvoer en toegangspaden. In drogere gebieden waren systemen van dammen, kanalen, putten en seizoenswater cruciaal. De beroemde irrigatiecomplexen bij Ma’rib waren geen geïsoleerd wonderwerk van één koning, maar het resultaat van langdurige technische en institutionele ontwikkeling. De UNESCO-beschrijving van het oude Saba benadrukt terecht dat de combinatie van irrigatie, bestuurlijke organisatie en controle over handelsroutes een complexe samenleving mogelijk maakte. (UNESCO, Landmarks of the Ancient Kingdom of Saba; Robin, 2015.)
Die ecologie had politieke gevolgen. Een leger dat een stad kon bezetten, beheerste daarmee niet automatisch alle bergdorpen. Een heerser die belasting wilde innen, had lokale tussenpersonen nodig. Een stam die hooglandwegen controleerde, kon tegelijkertijd afhankelijk zijn van laaglandmarkten voor graan, zout, textiel of importgoederen. De tegenstelling tussen ‘stam’ en ‘staat’ is daarom te eenvoudig. Gedurende grote delen van de geschiedenis functioneerden lokale gemeenschappen, stedelijke markten, religieuze enclaves en bovenregionale dynastieën in een wederzijds afhankelijke verhouding. De geografie maakte volledige centralisatie kostbaar, maar zij maakte Jemen niet politiek geïsoleerd.
Aden en andere zuidelijke havens verbonden het binnenland met de Indische Oceaan, Oost-Afrika, India en later Zuidoost-Azië. De Tihama verbond de Rode Zee met de Hidjaz en de Afrikaanse kust. Hadramawt had een eigen netwerk van wadi-nederzettingen en emigratie dat eeuwen later een enorme diaspora van Hadrami kooplieden en religieuze families zou voortbrengen. Deze verschillende oriëntaties verklaren waarom ‘Jemenitische identiteit’ nooit betekende dat alle regio’s dezelfde sociale orde bezaten. De hooglandtribale wereld van Hashid of Bakil kan niet zonder meer worden gebruikt als model voor Aden, de Tihama of Hadramawt.
1.3 Arabia Felix en de economie van wierook, landbouw en doorvoer
Griekse en Romeinse auteurs gebruikten de term Arabia Felix, het ‘gelukkige’ of ‘vruchtbare’ Arabië, voor het zuidwesten van het schiereiland. De benaming zegt evenveel over de blik van mediterrane buitenstaanders als over de regio zelf. Wel is duidelijk dat Zuid-Arabië economisch aantrekkelijk was door landbouwproductie, aromatische harsen zoals wierook en mirre, en zijn positie tussen de Indische Oceaan en de Rode Zee. Handelsroutes liepen niet als één vaste ‘wierookweg’, maar bestonden uit een netwerk van karavaanroutes, havens, oases, tolpunten en politieke beschermingsarrangementen. Koninkrijken probeerden inkomsten te halen uit productie, transit, markten en religieuze centra.
De Romeinse expeditie van Aelius Gallus in 26–25 v.Chr. is een vroeg voorbeeld van de moeilijkheid waarmee een buitenlandse macht in Zuid-Arabië te maken kon krijgen. De campagne liep vast door logistieke problemen, ziekte, afstand en gebrekkige lokale kennis. Het is verleidelijk om iedere latere buitenlandse mislukking in Jemen als herhaling daarvan te presenteren, maar geschiedenis werkt niet als een eeuwige vloek. Toch is er een structurele continuïteit: externe mogendheden onderschatten geregeld hoe sterk bevoorrading, lokale bondgenoten en kennis van terrein de uitkomst bepalen.
2. Saba, Ma’in, Qataban, Hadramawt en Himyar: staten, stammen en religieuze transformatie
2.1 Saba: koningschap zonder moderne natiestaat
Saba is het bekendste van de oude Zuid-Arabische koninkrijken, mede door de Bijbelse en Qur’anische herinnering aan Saba en de koningin van Sheba. De historische staat Saba moet echter niet worden vereenzelvigd met de latere religieuze verhalen. Epigrafisch onderzoek plaatst het centrum van Saba in en rond Ma’rib en laat een politieke cultuur zien waarin heersers, lokale groepen, tempels en territoriale gemeenschappen met elkaar verbonden waren. Titels als mukarrib en later malik (‘koning’) weerspiegelen veranderende vormen van gezag; de precieze betekenis van zulke titels is onderwerp van wetenschappelijk debat en kan niet simpel worden vertaald naar moderne begrippen als president of keizer.
De kracht van Saba lag onder meer in de beheersing van landbouwzones en de capaciteit om coalities te organiseren. Monumentale inscripties tonen campagnes buiten het kerngebied, maar ook restauraties van irrigatiewerken en religieuze dedicaties. De staat was dus zowel militair als ritueel. Tempels waren geen privéruimten voor individuele devotie in moderne zin; zij waren verbonden met land, prestige, groepsidentiteit en politieke legitimiteit. Wanneer een koning een tempel restaureerde of een godheid dankte voor overwinning, versterkte hij tegelijkertijd de publieke orde waarin zijn gezag betekenis kreeg.
2.2 Ma’in, Qataban en Hadramawt: concurrerende routes en regionale machtscentra
Naast Saba bestonden andere koninkrijken met eigen politieke centra en inscriptietalen. Ma’in wordt sterk geassocieerd met langeafstandshandel en handelskolonies langs noordelijke routes. Qataban had zijn kern rond Timna en beheerste delen van de zuidelijke routezones. Hadramawt ontwikkelde zich rond de uitgestrekte wadi’s van het oosten en bezat toegang tot wierookproducerende gebieden en de kust. Dat deze staten elkaar soms bevochten en soms verbonden waren, laat zien dat pre-islamitisch Zuid-Arabië een multipolair systeem vormde. Er was geen lineaire opmars naar één ‘Jemenitische’ staat.
Archeologische en epigrafische onderzoekers benadrukken bovendien dat ‘koninkrijk’ niet betekent dat iedere boer rechtstreeks door een koninklijk ambtenaar werd bestuurd. Lokale clans, territoriale groepen, priesterschappen en elites hadden eigen rechten en verantwoordelijkheden. Sommige inscripties noemen collectieven en afstammingsgroepen als politieke actoren. Andrey Korotayev heeft geprobeerd de sociaal-politieke organisatie van het Sabaeaanse cultuurgebied systematisch te analyseren en wijst op de betekenis van tribale eenheden binnen grotere staatsverbanden. Zijn modellen zijn niet onomstreden, maar zij zijn nuttig omdat zij de tegenstelling tussen ‘beschaafde staat’ en ‘tribale periferie’ problematiseren. (Korotayev, 1996.)
2.3 Himyar: eenwording, nieuwe machtsbasis en de opkomst van monotheïsme
Vanaf de late oudheid groeide Himyar uit tot de dominante macht. Tegen het begin van de vierde eeuw n.Chr. waren de belangrijkste oude Zuid-Arabische koninkrijken onder Himyaritisch gezag samengebracht. Christian Robin en Iwona Gajda laten zien dat deze politieke eenwording gepaard ging met een opmerkelijke religieuze transformatie. Vanaf de vierde eeuw verdwijnen de traditionele polytheïstische godheden steeds meer uit de officiële inscripties en wordt één God aangeroepen, vaak met namen als Rahmanan. Over de precieze aard van dit monotheïsme bestaat debat: het had duidelijke Joodse elementen, maar de mate waarin men het hele koninkrijk eenvoudig ‘Joods’ kan noemen verschilt per periode en bron. (Gajda, 2009; Gajda, 2017; Gajda, 2026; Robin, 2015.)
Gajda’s recente onderzoek uit 2026 is bijzonder relevant voor de vraag hoe religieuze verandering en bestaande structuren samengingen. Zij benadrukt dat Himyar bij de eenwording niet eenvoudig één oude stamgod aan alle onderworpen gebieden oplegde. Het koninkrijk erfde een religieus divers gebied met oude culten en regionale tradities; de overgang naar monotheïsme kan mede worden gezien als een nieuwe, bovenlokale legitimiteit voor een politiek divers rijk. Daarmee bestond reeds vóór de islam ervaring met religieuze verandering die politieke eenheid moest ondersteunen zonder dat lokale sociale structuren van de ene op de andere dag verdwenen.
2.4 Najran, Dhu Nuwas, Aksum en de internationale politiek van de zesde eeuw
In de zesde eeuw werd Zuid-Arabië een strijdtoneel van regionale en imperiale rivaliteit. De Himyaritische koning Yusuf As’ar Yath’ar, in Arabische tradities bekend als Dhu Nuwas, wordt verbonden met vervolging en het doden van christenen in Najran rond 523. Epigrafische, Ethiopische, Syrische en Byzantijnse bronnen verschillen in taal en bedoeling, maar gezamenlijk tonen zij dat de gebeurtenis niet alleen een lokaal religieus conflict was. Zij raakte aan de machtsverhouding tussen Himyar, het christelijke koninkrijk Aksum aan de overzijde van de Rode Zee, het Byzantijnse Rijk en de Sasaniden. (Robin, 2015; Gajda, 2026.)
Aksumitische legers intervenieerden en brachten Himyar onder christelijke invloed. De figuur Abraha, die eerst binnen de Aksumitische machtsorde optrad en vervolgens als heerser in Zuid-Arabië een zelfstandiger positie verwierf, is zowel epigrafisch als in latere islamitische traditie bekend. In de tweede helft van de zesde eeuw volgde vervolgens een Sasanidische interventie. Perzische militaire groepen vestigden zich vooral rond Sana’a; hun afstammelingen worden in Arabische bronnen vaak al-abna’ genoemd. Toen de islam zich begon uit te breiden, bestond in Jemen dus geen ‘zuiver’ geïsoleerde tribale samenleving, maar een regio waarin Zuid-Arabische, Ethiopische, Joodse, christelijke en Perzische invloeden al generaties lang met elkaar verweven waren.
2.5 Continuïteit vóór de islam: waarom “jahiliyya” geen leegte betekent
Latere islamitische bronnen gebruiken voor de pre-islamitische periode vaak het begrip jahiliyya. In religieuze context kan dat verwijzen naar een tijd zonder de islamitische openbaring, maar historisch mag het niet worden vertaald als ‘een samenleving zonder orde of kennis’. Zuid-Arabië bezat schriftculturen, landbouwrecht, langeafstandshandel, complexe irrigatie, dynastieke politiek en meerdere monotheïstische gemeenschappen. Een dekoloniale en bronkritische benadering verzet zich daarom tegen twee simplificaties tegelijk: tegen de oude Europese voorstelling van ‘Arabische stammen’ als tijdloos primitief én tegen een te grove lezing waarin de komst van de islam alle eerdere sociale geschiedenis uitwist.
3. Tribale orde, clans, recht en polarisatie: veel dieper dan Hashid tegen Bakil
3.1 Eerst de begrippen: stam, clan, segment, confederatie en genealogie
Het Nederlandse woord ‘clan’ wordt vaak gebruikt alsof het een exacte vertaling is van een Jemenitische sociale eenheid. Dat is riskant. In Jemen kunnen woorden voor familie, afstammingsgroep, subsectie, stam en confederatie per regio en historische periode verschillen. Antropologen als Paul Dresch en Marieke Brandt benadrukken daarom dat een stam niet enkel een verzameling bloedverwanten is. Zij kan tegelijk een territoriale gemeenschap zijn, een naam, een moreel systeem, een netwerk van wederzijdse verplichtingen en een politieke coalitie. Een genealogie drukt solidariteit uit, maar hoeft niet gelezen te worden als een moderne genetische stamboom. (Dresch, 1993; Brandt, 2017.)
Dresch beschrijft noordelijke stammen als territoriale entiteiten met herkenbare grenzen en een sterke taal van afstamming en eer. Die combinatie verklaart waarom een tribale naam eeuwen kan voortbestaan terwijl de feitelijke bevolking, leiders en interne onderdelen veranderen. Groepen kunnen zich afsplitsen, bondgenootschappen aangaan of hun genealogische verhaal aanpassen aan een nieuwe politieke realiteit. Dit is geen bewijs dat identiteit ‘nep’ is; het laat zien dat identiteit historisch wordt gemaakt en onderhouden.
De namen Hashid en Bakil zijn zeer oud en worden in de literatuur verbonden met pre-islamitische Hamdanitische groepen. Dresch benadrukt dat beide namen al vóór de komst van het Zaydi-imamaat bestonden. De continuïteit van een naam betekent echter niet dat de organisatie in de eerste eeuw n.Chr. identiek was aan die van de twintigste eeuw. Dit onderscheid is cruciaal. Anders verandert ‘stam’ in een mythisch onveranderlijk object en worden politieke keuzes van moderne elites ten onrechte verklaard als automatisme van ‘eeuwenoude haat’.
3.2 Hashid en Bakil: “twee vleugels” maar geen eeuwige burgeroorlog
Hashid en Bakil worden vaak de twee grote confederaties van de noordelijke hooglanden genoemd. In politieke herinnering zijn zij soms aangeduid als de ‘twee vleugels’ van het Zaydi-imamaat omdat imams voor militaire mobilisatie en bestuurlijke bereikbaarheid afhankelijk waren van tribale samenwerking. Tegelijk stonden onderdelen van dezelfde confederaties geregeld aan verschillende kanten van een conflict. De confederatie als geheel opereerde zelden als één permanent leger of één partij. Een lokale shaykh kon een imam steunen terwijl een naburige sectie onderhandelde met diens tegenstander.
Ook hun leiderschapsstructuur verschilde. Marieke Brandts vergelijkende onderzoek naar leiderschap in Upper Yemen laat zien dat de al-Ahmar-familie langdurig een uitzonderlijk sterke positie in Hashid wist op te bouwen, terwijl de hoogste positie in Bakil historisch vaker tussen verschillende families en regionale machtscentra verschoof. Dat verschil hielp in de twintigste eeuw verklaren waarom Hashid ondanks zijn kleinere schaal vaak zichtbaarder en politiek gecentraliseerder optrad. Maar ook binnen Hashid was de autoriteit van een ‘shaykh van de shaykhs’ geen absoluut bevel. Lokale eenheden behielden eigen belangen en konden nationale leiders negeren of van bondgenoot wisselen. (Brandt, ‘Inhabiting Tribal Structures’; Dresch, 1993.)
3.3 De shaykh: bemiddelaar en makelaar, niet automatisch stamkoning
Westerse media vertalen shaykh vaak alsof het ‘chief’ of stamhoofd in koloniale zin betekent. In veel Jemenitische contexten is de positie beter te begrijpen als een vorm van vertegenwoordiging, bemiddeling en politieke makelaardij. Een shaykh moet toegang hebben tot middelen, gasten kunnen ontvangen, schadevergoedingen of garanties helpen organiseren, ruzies bemiddelen en de eer van zijn groep vertegenwoordigen. Zijn macht is dus relationeel. Als hij zijn reputatie verliest of geen steun meer krijgt, blijft een formele titel op zichzelf onvoldoende.
Dit verklaart waarom externe staten graag in shaykhs investeerden. Een regering hoefde dan niet iedere lokale gemeenschap rechtstreeks te besturen; zij kon subsidies, wapens, salarissen, parlementaire zetels of zakelijke toegang via invloedrijke families laten lopen. Maar patronage had een dubbele werking. Zij bond leiders aan de staat, terwijl gewone stamleden juist het gevoel konden krijgen dat hun vertegenwoordigers rijker werden zonder lokale problemen op te lossen. Brandt beschrijft dit voor Sa’da na 1962 als een proces van elite-transformatie en ongelijke ontwikkeling; Chatham House heeft voor de Saleh-periode benadrukt hoe coöptatie en divide-and-rule patronagenetwerken versterkten ten koste van formele instituties. (Brandt, 2017, hfdst. 2; Salisbury, 2013.)
3.4 Qabyala: een morele code rond eer, bescherming en verantwoordelijkheid
Qabyala kan grofweg worden vertaald als het geheel van normen waarmee ‘goed tribaal gedrag’ wordt beoordeeld, maar geen Nederlandse term dekt de betekenis volledig. Het omvat moed en zelfrespect, maar ook betrouwbaarheid, gastvrijheid, bescherming van kwetsbaren of gasten, trouw aan een gegeven woord en bereidheid tot bemiddeling. De taal van eer is daarom niet uitsluitend een taal van geweld. Juist omdat reputatie collectief telt, kan het schenden van een garantie ernstige gevolgen hebben en kan een gerespecteerde bemiddelaar geweld stoppen.
Dresch noemt eer een centrale taal van tribale politieke relaties. Shelagh Weirs langdurige onderzoek in Jabal Razih laat concreet zien hoe schriftelijke en mondelinge afspraken, sancties, arbitrage, garanties en compensatie samen een rechtsorde vormden. Het bestaan van bloedwraak betekent dus niet dat er geen regels zijn. Integendeel: de kernvraag is vaak wie aansprakelijk is, hoe de kring van vergelding wordt begrensd, welke bescherming geldig is, welke compensatie aanvaardbaar is en wie als bemiddelaar erkend wordt. (Dresch, 1993; Weir, 2007.)
3.5 Bloedwraak, diya en bemiddeling: hoe conflict wordt begrensd
Een moord kan een verplichting tot vergelding oproepen, maar in de praktijk bestaan mechanismen om te voorkomen dat geweld onbeperkt doorgaat. Diya, financiële of materiële compensatie, kan deel zijn van een oplossing. Arbitrage kan worden aangevraagd bij gerespecteerde derden. Tijdelijke garanties of een wapenstilstand kunnen partijen ruimte geven om te onderhandelen. De precieze procedure verschilt per streek, maar het algemene patroon is belangrijk: tribaal recht probeert geweld niet uitsluitend te bestraffen nadat het plaatsvond; het organiseert ook manieren om de sociale relatie na geweld weer bestuurbaar te maken.
Daarom zijn termen als ‘wetteloos gebied’ vaak analytisch arm. Een gebied kan zwakke aanwezigheid van rechtbanken of politie hebben en tegelijk sterke lokale rechtspraktijken. Dat betekent niet dat die praktijken altijd gelijkwaardig, democratisch of gunstig voor iedereen zijn. Lage-statusgroepen, vrouwen, migranten of mensen zonder sterke beschermingsnetwerken konden in zulke stelsels kwetsbaarder zijn. Een antikoloniale blik mag lokale instituties serieus nemen zonder ze te romantiseren.
3.6 Hijra en hawta: beschermde ruimten tussen stam, religie en recht
In verschillende delen van Jemen ontstonden beschermde enclaves die buiten gewone tribale vergelding moesten blijven. In het noorden wordt in de literatuur vaak het begrip hijra gebruikt, in zuidelijke en Hadrami-contexten hawta. Zulke plaatsen konden verbonden zijn met religieuze geleerden, sayyid-families, markten of heilige personen en boden een institutionele ruimte voor onderwijs, handel, toevlucht en bemiddeling. Dresch laat zien dat geleerde families binnen lokale beschermingspacten konden leven terwijl hun religieuze netwerk ver buiten één stam reikte. Piotrovsky beschrijft zulke enclaves als een vorm die laat-antieke en middeleeuwse nederzettingspatronen met elkaar verbindt. (Dresch, 1993; Piotrovsky, 2021/2025.)
3.7 Sociale lagen naast de stammen: sayyids, qadis, ambachtsgroepen en gemarginaliseerde gemeenschappen
Een fout in veel buitenlandse analyses is dat ‘Jemenitische samenleving’ en ‘stam’ als synoniemen worden gebruikt. In werkelijkheid leefden en leven naast tribale groepen verschillende sociale categorieën. Sayyids claimen afstamming van de profeet Mohammed en kregen in delen van het Zaydi-noorden religieus prestige. Qadi-families waren verbonden met geleerdheid, administratie en recht. In Hadramawt ontstonden eigen verhoudingen tussen sada, mashayikh, tribale groepen, stedelingen, ambachtslieden en lagere-statusgroepen. De precieze hiërarchie verschilde per regio en tijd.
Historisch gemarginaliseerde gemeenschappen die tegenwoordig vaak Muhamasheen worden genoemd, werden sociaal uitgesloten en verbonden met vernederende arbeid. Oudere termen zoals Akhdam worden door velen als denigrerend ervaren en moeten daarom alleen bronkritisch worden gebruikt. Hun bestaan maakt duidelijk dat de morele taal van tribale gelijkwaardigheid tussen gewapende stamleden niet automatisch sociale gelijkheid voor de hele bevolking betekende. Ook hier is het belangrijk om een cultuur niet als één homogeen blok te behandelen.
3.8 Hadramawt: een andere tribale en religieuze wereld
Hadramawt laat zien waarom modellen uit Sana’a of Sa’da niet voor heel Jemen kunnen gelden. Mikhail Rodionov beschrijft op basis van uitgebreid veldwerk in West-Hadramawt een complexe sociale ordening van stammen, religieuze families, nederzettingen en traditionele statusgroepen. Alexander Knysh waarschuwt bovendien dat Hadrami geschiedschrijving vaak genealogische belangen bevat: lokale histories kunnen prestigeclaims versterken door de oorsprong en verdiensten van een groep anders te vertellen. (Rodionov, 2007; Knysh, 1999/2009.)
De geschiedenis van de sada in Hadramawt is verbonden met religieuze netwerken die uiteindelijk ver buiten Jemen reikten, naar Oost-Afrika, India en Zuidoost-Azië. Daardoor was lokale status nooit uitsluitend lokaal. Migratie, handel en religieuze autoriteit konden in Hadramawt een familie macht geven zonder dat zij dezelfde tribale rol vervulde als een noordelijke oorlogsshaykh. Deze regionale verschillen zijn essentieel om later ook de politieke verdeeldheid van Zuid-Jemen, Hadramawt en de Houthi-gebieden niet op één tribale formule te reduceren.
3.9 Polarisatie: hoe clans en stammen werkelijk tegenover elkaar komen te staan
Polarisatie ontstaat zelden uit één oorzaak. Een conflict kan beginnen over grond, water, een moord, een huwelijks- of eerkwestie, belasting, toegang tot een weg, een markt of een bestuursfunctie. Zodra externe actoren geld, wapens of politieke erkenning bieden, kan een lokale tegenstelling groter worden. Familievetes kunnen gekoppeld raken aan partijpolitiek; religieuze verschillen kunnen een bestaand grondconflict een nieuwe taal geven; een staatscampagne kan een neutrale groep dwingen partij te kiezen. Brandts reconstructie van de Sa’da-oorlogen is precies daarom belangrijk: zij laat zien hoe tribale vetes, oorlogseconomie, eliteconflict, sektarisering en buitenlandse betrokkenheid gaandeweg in elkaar grepen. (Brandt, 2017, hfdst. 5–6.)
De term ‘clanpolarisatie’ mag dus niet suggereren dat alle leden van een verwantschapsgroep dezelfde keuze maken. Binnen één stam kunnen jonge mannen, shaykhs, kooplieden, religieuze families en mensen met staatsbanen uiteenlopende belangen hebben. In 2011 en opnieuw tijdens de Houthi-opmars liepen breuklijnen zelfs door belangrijke families en confederaties heen. De al-Ahmar-familie, Ali Abdullah Saleh, Ali Mohsen al-Ahmar en verschillende Hashid- en Bakil-groepen konden in verschillende fasen bondgenoten of tegenstanders zijn. Hetzelfde geldt in Sa’da voor stammen als Sufyan, Wa’ila, Dahm en Khawlan b. Amir: hun positie kan niet worden afgeleid uit één label ‘pro-Houthi’ of ‘anti-Houthi’ over de hele periode.
3.10 Hashid, Bakil en de republiek: patronage maakt oude structuren modern
Na de revolutie van 1962 verdwenen tribale structuren niet; zij werden juist opgenomen in de republikeinse staatsvorming. Presidenten en militaire leiders gebruikten tribale netwerken om legitimiteit, manschappen en lokale toegang te verkrijgen. Onder Ali Abdullah Saleh werd dit patroon bijzonder verfijnd. Saleh kwam uit Sanhan, een stam binnen de bredere Hashid-wereld, maar zijn systeem was geen eenvoudig ‘Hashid-regime’. Hij balanceerde familieleden, legercommandanten, partijpolitici, zakelijke elites, geestelijken en shaykhs uit meerdere confederaties.
De al-Ahmar-familie van Hashid werd een pijler én mogelijke rivaal. Abdullah al-Ahmar bezat groot politiek prestige en was jarenlang parlementsvoorzitter; zijn zonen combineerden later tribale, zakelijke en partijpolitieke macht. In Bakil waren meerdere invloedrijke shaykhs belangrijk, maar de confederatie kende historisch minder stabiele centrale leiding. Daardoor konden nationale machthebbers afzonderlijke Bakil-groepen verschillend benaderen. De staat bouwde dus geen moderne bureaucratie bovenop een verdwenen ‘traditie’; hij reproduceerde en veranderde tribale hiërarchieën door geld, benoemingen en toegang tot middelen.
3.11 Saudi-Arabië en tribale patronage: grenspolitiek vóór de huidige oorlog
Saudi-Arabië onderhield decennialang directe relaties met Jemenitische shaykhs, vooral in het noorden en langs de grens. Brandt traceert deze patronage in Sa’da terug tot de nasleep van de oorlog van 1934 en het Verdrag van Taif. De relaties dienden grensveiligheid en invloed in Sana’a, maar veranderden ook lokale machtsverhoudingen. Een shaykh met buitenlandse betalingen kreeg middelen die niet uit de eigen gemeenschap kwamen; rivalen konden daarop reageren door andere beschermers te zoeken. Zo kunnen internationale rivaliteiten lokaal worden vertaald zonder dat lokale actoren slechts marionetten zijn. (Brandt, 2017, hfdst. 3.)
Dit patroon is belangrijk voor Joy Enaits antikoloniale kader: macht moet niet alleen van bovenaf worden bekeken. Wanneer Riyad, Sana’a, Teheran of later Abu Dhabi een lokale bondgenoot steunt, verandert dat de betekenis van een intern conflict. Maar de lokale partij kiest, onderhandelt en manipuleert eveneens. Antikoloniale analyse is daarom het sterkst wanneer zij zowel de asymmetrie van buitenlandse macht als de handelingsruimte van Jemenitische actoren zichtbaar maakt.
3.12 Qat: plant, ritueel, economie, water en macht
Qat (Catha edulis) is in Jemen tegelijk een landbouwproduct, een stimulerend middel, een sociale gewoonte en een politiek-economisch knooppunt. Wie qat alleen beschrijft als een “drug” mist een groot deel van zijn historische betekenis; wie het uitsluitend romantiseert als traditie mist juist de kosten voor huishoudens, water, gezondheid en voedselproductie. De belangrijkste antropologische les is daarom dat qat niet één ding is. De betekenis verandert naar plaats, klasse, generatie, gender, politieke positie en historische periode. Shelagh Weirs klassieke studie uit 1985 liet al zien dat consumptie verweven was met status, gastvrijheid, sociale relaties en verandering. Later onderzoek, waaronder dat van Daniel Martin Varisco en Serge Dominique Elie, behandelt qat ook als een venster op staatsvorming, consumptie en de politieke economie van Jemen. (Weir 1985; Elie 2015; Varisco 2026.)
3.12.1 Oorsprong: tussen Ethiopië, Jemen en historische onzekerheid
De oorsprong van qat wordt vaak met grote zekerheid verteld, maar de bronnen zijn minder eenduidig. Botanisch en historisch onderzoek wijst op een lange geschiedenis in de Hoorn van Afrika en Zuidwest-Arabië. Een studie in de American Journal of Botany merkt op dat vroege claims voor het jaar 1237 onzeker zijn. Een geloofwaardiger Ethiopische verwijzing staat in kronieken rond koning Amda Seyon I in de eerste helft van de veertiende eeuw. Voor Jemen bestaat een vroege veertiende-eeuwse traditie waarin de Rasulidische sultan al-Malik al-Dawud qat zou hebben geprezen, terwijl ondubbelzinnige terminologische verwijzingen later duidelijker worden. Varisco plaatst de opname van qat in de Jemenitische samenleving ongeveer in dezelfde lange overgangsperiode waarin ook koffie een plaats kreeg in religieuze, handels- en dagelijkse praktijken. De precieze route en datum blijven onderwerp van discussie; het is historisch zorgvuldiger om van verspreiding en institutionalisering te spreken dan van één “uitvinding”. (American Journal of Botany 2017; Varisco 2026.)
Die onzekerheid is belangrijk voor een antikoloniale lezing. Europese reizigers en botanici kwamen relatief laat met hun eigen classificaties, terwijl lokale kennis over teelt, werking en sociaal gebruik al bestond. De plant werd voor Europese wetenschap in de achttiende en negentiende eeuw beter beschreven, maar wetenschappelijke benoeming is niet hetzelfde als culturele ontdekking. Onderzoek naar de Deense expeditie van 1762–1763 laat zien dat qat toen voor Europeanen nog grotendeels onbekend was, terwijl het in Jemen en Oost-Afrika al een gevestigde praktijk was. De vraag “wanneer ontdekten wij qat?” moet daarom worden vervangen door “welke kennis bestond al, en wanneer werd die in Europese archieven zichtbaar?” (Archives of Natural History 2015.)
Figuur 1 — Een beknopte historische tijdlijn van qat.
Bronnen: Varisco; Weir; American Journal of Botany (2017); UK Hansard (1959, 1962); World Bank (2024).
3.12.2 Islamitisch recht: geen simpel verhaal van verbod of toestemming
De geschiedenis van qat loopt ook door islamitische juridische discussies. De centrale vraag was niet alleen of de plant “prettig” of “schadelijk” was, maar of het effect juridisch onder bedwelming viel en daarmee verboden moest worden. Varisco bespreekt een zeventiende-eeuwse tekst van de Jemenitische historicus Yahya ibn al-Husayn waarin koffie, tabak en qat naast elkaar worden behandeld. Daaruit blijkt dat de discussie reeds een lange voorgeschiedenis had. Een bekend politiek verhaal betreft imam Yahya Sharaf al-Din in de zestiende eeuw, aan wie een verbod en het uitrukken van qatbomen wordt toegeschreven. Tegelijk laat de latere praktijk zien dat geleerden, consumenten en machthebbers niet tot één stabiel oordeel kwamen. Het dagelijks gebruik bleef bestaan ondanks periodes van kritiek.
Dit onderstreept een breder punt uit de Jemenitische geschiedenis: “islam” werkte niet als één centraal bevel dat lokale gewoonten automatisch uitwiste. Normatieve religieuze kaders, lokale gewoonte, economische belangen en politieke autoriteit onderhandelden voortdurend met elkaar. Dat lijkt op de manier waarop tribaal gewoonterecht en sharia in andere domeinen naast, door en tegen elkaar konden functioneren. Qat werd dus niet simpelweg een overblijfsel uit een pre-islamitisch verleden, maar een praktijk die opnieuw werd geïnterpreteerd binnen islamitische categorieën van geoorloofdheid, gezondheid, zelfbeheersing en sociale plicht. (Varisco 2026.)
3.12.3 De mafraj en de qat-sessie: sociale infrastructuur, geen neutrale huiskamer
In veel delen van Jemen werd de middagse qat-sessie een vaste sociale instelling. De ruimte waarin men samenkomt wordt vaak aangeduid als mafraj of majlis, al verschillen terminologie en gewoonten regionaal. De bijeenkomst kan familiecontact onderhouden, handel vergemakkelijken, nieuws verspreiden, huwelijksonderhandelingen en lokale reputaties beïnvloeden, of een plaats bieden waar bemiddeling plaatsvindt. De plant is in zo’n context niet los te zien van tijd: oogst, transport en verkoop zijn gericht op versheid, waarna de consumptie uren van de middag kan structureren. UNODC wijst erop dat cathinone snel afbreekt, waardoor verse bladeren de voorkeur hebben en distributienetwerken op snelheid zijn ingericht. De “waarde” van qat is dus tegelijk chemisch, sociaal en logistiek. (UNODC, Khat – Plant-based substances.)
Voor clan- en tribale politiek is vooral belangrijk dat qat-sessies informele toegang kunnen organiseren. In een systeem waarin formele staatsinstituties niet alle conflicten oplossen, kunnen ontmoetingen tussen shaykhs, notabelen, handelaren, familieleden, bemiddelaars en ambtenaren politieke betekenis krijgen. Maar het zou onjuist zijn om elke qat-sessie als een tribale raad te beschrijven. In steden, ambtenarij en handelsmilieus bestaan andere sociale constellaties. Het analytische punt is dat informele relaties vaak politieke gevolgen hebben: wie aanwezig is, wie naast wie zit, wie een introductie krijgt en wie een boodschap kan overbrengen, kan even belangrijk zijn als een formeel document. Elie noemt dit in zijn analyse onderdeel van een bredere “state–qat–society nexus”, terwijl Weir de sociale differentiatie en verandering benadrukt. (Weir 1985; Elie 2015.)
Figuur 2 — Qat als sociale infrastructuur: een analytisch schema.
Gebaseerd op Weir (1985), Dresch (1993) en Elie (2015); niet bedoeld als uniforme beschrijving van alle Jemenitische gemeenschappen.
3.12.4 Status, gender en uitsluiting
Qat kan sociale banden versterken, maar bijeenkomsten reproduceren ook hiërarchie. Kwaliteit en prijs van de bladeren, de ruimte waarin wordt ontvangen, de plaats waar iemand zit en de samenstelling van het gezelschap kunnen status signaleren. Daardoor is qat tegelijk een middel van insluiting en uitsluiting. Mensen die niet deelnemen kunnen bepaalde sociale circuits missen, terwijl deelname voor arme huishoudens juist financieel belastend kan zijn. Oudere economische studies schatten substantiële huishoudelijke uitgaven, maar percentages verschillen sterk naar jaar, regio en onderzoeksmethode. Zulke cijfers moeten dus niet als tijdloze nationale gemiddelden worden gebruikt.
Ook gender is ingewikkelder dan de stereotiepe voorstelling van een uitsluitend mannelijke gewoonte. Mannen domineren veel openbare beelden van qat, maar vrouwen kauwen eveneens en kennen eigen sociale bijeenkomsten. Een studie onder 410 gehuwde vrouwen in Sana’a-stad en het gouvernement Sana’a, uitgevoerd in 2011–2012, documenteerde consumptiepatronen onder vrouwen; de onderzoekers waarschuwden zelf voor de beperkingen van bestaande nationale prevalentieschattingen. Voor historische analyse is dit belangrijk: zichtbaarheid in de publieke ruimte is geen betrouwbare maatstaf voor deelname binnenshuis. Tegelijk kunnen gendergescheiden sociale netwerken betekenen dat economische, politieke en familiale informatie langs verschillende routes circuleert. (Qat Consumption among Women Living in Yemen, 2014/2020 open-access editie.)
3.12.5 Landbouw en inkomen: waarom boeren niet simpelweg “voor qat kiezen”
De uitbreiding van qat-teelt kan niet worden begrepen zonder de prikkels voor boeren. In een economie met hoge onzekerheid, beperkte verzekeringen, beschadigde infrastructuur en volatiele voedselprijzen is een gewas met sterke lokale vraag aantrekkelijk. Eerdere Wereldbankstudies benadrukten dat qat voor producenten veel winstgevender kon zijn dan concurrerende gewassen en een belangrijk deel van het agrarische inkomen vormde. Een recentere Wereldbankanalyse uit 2024 stelt dat de vraag onder de spanningen van het conflict toenam en dat het qat-areaal in geselecteerde regio’s tussen 2016 en 2021 met meer dan 40 procent groeide, terwijl het totale areaal voor andere gewassen onder druk stond. Dat betekent niet dat elke hectare qat rechtstreeks “voedsel wegneemt”, maar wel dat prijsprikkels, water en landgebruik elkaar beïnvloeden.
Een beleid dat boeren alleen moreel veroordeelt zonder alternatieve inkomsten, markttoegang en waterzekerheid aan te bieden, miskent de politieke economie. Qat is voor veel producenten geen abstract cultureel symbool maar een verzekeringsstrategie: een relatief liquide product met voorspelbare binnenlandse vraag. Tegelijk ontstaat een collectief probleem wanneer individueel rationele keuzes gezamenlijk grondwater uitputten. Het spanningsveld tussen huishoudelijk overleven en nationaal waterbeheer is precies waarom eenvoudige verboden vaak weinig effect hebben. (World Bank 2010; World Bank 2024; UNDP 2024.)
3.12.6 Water: het sterkste structurele argument in het qat-debat
De waterdimensie is waarschijnlijk het meest structurele probleem. Wereldbankrapporten citeren oudere pre-conflict schattingen volgens welke qat ongeveer 36 procent van Jemens hernieuwbare waterbronnen en 32 procent van de grondwateronttrekking gebruikte. Een landbouwstudie uit 2026 modelleert dat vrijwel alle qat-teelt, zelfs wanneer deze als “rainfed” wordt geclassificeerd, in belangrijke mate met grondwater wordt aangevuld; gemiddeld zou ongeveer 70 procent van de waterbehoefte uit grondwater komen. Diezelfde studie berekent voor 2019–2024 een sterke toename in het geschatte grondwatergebruik voor qat. Omdat deze cijfers uit verschillende modellen, perioden en definities komen, mogen ze niet tot één exact nationaal percentage worden samengevoegd. De richting van het probleem is echter consistent: uitbreiding van irrigatie voor qat vergroot de druk op aquifers die al overbelast zijn. (World Bank 2024; Yemen Agriculture Sector Study 2026.)
Daarbij is het belangrijk niet alle waterproblemen op qat af te schuiven. Jemen heeft ook snelle bevolkingsgroei, verlies in distributienetten, inefficiënte irrigatie, institutionele fragmentatie, oorlogsschade, energieproblemen, ongereguleerde putten en klimaatstress. Een antikoloniale analyse moet juist weerstand bieden aan de exotiserende verklaring waarin “de Jemeniet kauwt zijn land droog”. De relevante vraag is welke politieke en economische instituties diepe putten, diesel- en pomptechnologie, grondrechten en prijssignalen hebben gevormd. Qat is een grote factor binnen dat systeem, niet het volledige systeem.
Figuur 3 — Qat, watergebruik en uitbreiding van het areaal.
Let op: schattingen gebruiken verschillende perioden en methoden. Bronnen: World Bank (2024) en Yemen Agriculture Sector Study (2026).
3.12.7 Koloniaal Aden: verbod, onderzoek en de politiek van “beschaving”
De Britse omgang met qat in Aden biedt een concreet voorbeeld van hoe gezondheidsargumenten, koloniale orde en lokaal gedrag elkaar kruisten. Hansard vermeldt dat de import in Aden Colony in 1957 werd verboden, waarna een Qat Commission of Inquiry in 1958 concludeerde dat qat volgens het toen beschikbare medische bewijs niet schadelijk was tenzij het in excessieve mate werd gebruikt. Het verbod werd opgeheven; begin jaren zestig was import in de kolonie mogelijk via vergunningen, terwijl in het protectoraat geen vergelijkbare algemene beperking gold. Britse parlementsleden bleven vragen stellen over gezondheid en economische productiviteit. (UK Hansard, 1959 en 19 april 1962.)
Dit dossier leent zich voor de antikoloniale blik van Joy Enait, mits die niet wordt verward met een automatische verdediging van qat. Koloniale regeringen beschreven lokale gewoonten vaak in termen van arbeidstucht, volksgezondheid en “achterlijkheid”, maar dat betekent niet dat elk gezondheidsbezwaar koloniaal verzonnen was. De analytische opdracht is dubbele kritiek: onderzoeken hoe een koloniaal bestuur een consumptiepraktijk definieerde en reguleerde, én onafhankelijk beoordelen welke sociale en medische schade werkelijk aantoonbaar is. WHO- en UNODC-literatuur beschrijft reële farmacologische en gezondheidsrisico’s rond cathinone en langdurig gebruik, terwijl de sterkte van het bewijs per aandoening verschilt. IARC benadrukte bijvoorbeeld dat een verband met potentieel kwaadaardige en kwaadaardige orale aandoeningen mogelijk is, maar dat methodologische beperkingen stevige conclusies bemoeilijken. (WHO EMRO 2007; UNODC; IARC systematic review.)
3.12.8 Oorlogseconomie en hedendaagse politiek
Sinds de burgeroorlog is qat nog sterker verbonden geraakt met de manier waarop huishoudens inkomen zoeken en territoria economisch functioneren. De plant heeft één eigenschap die in een gefragmenteerde oorlogseconomie bijzonder relevant is: hij is lokaal produceerbaar, snel verhandelbaar en heeft dagelijkse vraag. Dat maakt markten, transportcorridors, belastingen en heffingen politiek belangrijk. Het is daarom te simpel om qat alleen te bespreken als privéconsumptie; het is ook een stroom van cash en een bron van lokale inkomsten. Tegelijk kan dezelfde vraag de overstap naar minder waterintensieve of voedselproducerende gewassen bemoeilijken.
Voor clanpolarisatie betekent dit dat economische belangen bovenop bestaande verwantschap en partijpolitiek komen. Een stam of clan heeft geen uniforme “qatpositie”: landeigenaren, pachters, handelaren, chauffeurs, stedelijke consumenten, religieuze autoriteiten en lokale bestuurders hebben verschillende belangen. Dat sluit aan bij het bredere argument van dit essay dat Jemenitische stammen niet als gesloten blokken moeten worden gezien. Oorlog, patronage en markttoegang kunnen interne breuklijnen versterken. Qat is daardoor geen oorzaak die de oorlog verklaart, maar een van de goederen waarmee macht, inkomen en sociale toegang in oorlogstijd worden georganiseerd.
De meest bruikbare conclusie is dus niet “qat is goed” of “qat is slecht”. Historisch onderzoek laat zien hoe een plant door handel, religieuze discussie, sociale rituelen, koloniale regulering, staatsvorming, landbouwpolitiek en oorlog telkens een andere betekenis kreeg. Een dekoloniale benadering maakt het onderwerp complexer, niet eenvoudiger: zij verzet zich tegen exotisering, maar verplicht ook om materiële schade — wateruitputting, huishoudelijke kosten, gezondheidseffecten en ongelijkheid — niet weg te romantiseren.
Kernbronnen voor deze qat-sectie: Shelagh Weir, Qat in Yemen: Consumption and Social Change (1985); Daniel Martin Varisco, Stimulants sans Sin: A Social History of Qat, Coffee and Tobacco in Yemen (2026 update); Serge Dominique Elie, State Mediation of Qat Consumption in Yemen (2015); World Bank analyses 2024 en 2026; UK Hansard 1959/1962; WHO EMRO; UNODC; American Journal of Botany (2017).
4. De komst van de islam: breuk, continuïteit en nieuwe politieke talen
4.1 Jemen vlak vóór de islam: geen religieus vacuüm
Toen de islam in het begin van de zevende eeuw Jemen bereikte, kwam zij terecht in een religieus landschap dat al diep was veranderd. Polytheïstische staatsculten waren in de late Himyaritische periode grotendeels verdwenen uit officiële inscripties. Joodse en christelijke gemeenschappen waren aanwezig; Himyaritische elites hadden verschillende vormen van monotheïsme omarmd; Aksumitische heerschappij had christelijke instellingen versterkt; en de Sasanidische aanwezigheid had een Perzische militaire en bestuurlijke laag toegevoegd. De islamisering van Jemen was daarom niet simpelweg de eerste kennismaking met monotheïsme. (Gajda, 2017; Gajda, 2026; Robin, 2015.)
Dit punt verandert de historische interpretatie. In een koloniale of evolutionistische geschiedschrijving wordt soms een scherpe grens getrokken tussen ‘stamreligie’ en ‘wereldreligie’. De Jemenitische casus laat eerder opeenvolgende reorganisaties zien: lokale en koninklijke culten, vervolgens monotheïstische experimenten en conflicten, daarna de opname in de islamitische gemeenschap. Elke fase veranderde instituties, maar geen fase begon op een leeg terrein.
4.2 De eerste contacten: delegaties, gouverneurs en missionaire opdrachten
De islamitische traditie beschrijft meerdere wegen waarlangs Jemen zich bij de nieuwe gemeenschap rond Mohammed aansloot. Jemenitische delegaties reisden naar Medina; lokale leiders bekeerden zich; en vertegenwoordigers werden naar verschillende delen van Jemen gestuurd. Namen die vaak terugkeren zijn Mu‘adh ibn Jabal, Abu Musa al-Ash‘ari en Ali ibn Abi Talib. Over de exacte volgorde en geografische reikwijdte verschillen de bronnen, en moderne historici behandelen de details daarom voorzichtig. Wel is breed aanvaard dat de islam tegen het einde van Mohammeds leven in meerdere Jemenitische regio’s politieke en religieuze aanwezigheid had.
De Perzische gouverneursgroep rond Sana’a speelt eveneens een rol in de traditionele overlevering. Badhan, een Sasanidische bestuurder, zou met zijn omgeving de islam hebben aanvaard, waarna de band met Medina werd versterkt. Het verhaal is vooral uit latere Arabisch-islamitische historiografie bekend en moet als zodanig worden behandeld. Historisch plausibel is in ieder geval dat de Sasanidische macht na de crisis van het Perzische rijk verzwakte en lokale elites opnieuw positie moesten kiezen.
4.3 Hamdan en Ali: religieuze herinnering en latere politieke betekenis
In veel islamitische overleveringen neemt de bekering van Hamdan een bijzondere plaats in en wordt Ali ibn Abi Talib ermee verbonden. Juist omdat delen van de noordelijke hooglanden eeuwen later Zaydi werden en sterke symbolische banden met het huis van Ali ontwikkelden, moet een historicus onderscheiden tussen gebeurtenissen in de zevende eeuw en de betekenis die latere generaties eraan gaven. De herinnering dat Hamdan vroeg en collectief de islam aannam, werd deel van tribale prestigevorming en van de bredere genealogische band tussen noord-Jemenitische stammen en de Alidische traditie.
Dat betekent niet dat Zaydisme al in de tijd van Mohammed als georganiseerde stroming in Jemen bestond. Het Zaydi-imamaat ontstond pas aan het einde van de negende eeuw. Wel konden vroeg-islamitische herinneringen aan Ali, deelname van Jemenitische groepen aan de eerste burgeroorlogen van het kalifaat en migratie naar Irak later worden opgenomen in een Zaydi historisch zelfbeeld. Historische continuïteit bestaat hier dus voor een deel uit herinnering: latere politieke gemeenschappen selecteren gebeurtenissen uit het verleden die hun huidige legitimiteit ondersteunen.
4.4 Al-Aswad al-Ansi en de Ridda: bekering betekende niet onmiddellijk centralisatie
De overgang verliep niet zonder conflict. Kort voor Mohammeds dood trad ‘Abhala al-Aswad al-Ansi op als profetische en politieke uitdager in Jemen. Volgens de islamitische traditie wist hij tijdelijk Sana’a te beheersen en werd hij uiteindelijk gedood door tegenstanders uit de lokale en Perzische elite. Na Mohammeds dood kwamen in verschillende delen van Arabië opstanden en heronderhandelingen van trouw voor, doorgaans samengevat onder de Ridda-oorlogen. Jemen maakte deel uit van die bredere crisis.
De gebeurtenissen tonen dat ‘bekering tot de islam’ niet hetzelfde was als onmiddellijke onderwerping aan een volledig gevormde centrale staat. Voor lokale leiders speelden religieuze overtuiging, belastingverplichtingen, persoonlijke trouw, rivaliteit tussen stammen en de vraag wie politiek gezag mocht uitoefenen tegelijk een rol. De vroege kalifale staat moest die relaties actief opbouwen. Dat sluit aan bij een groter patroon in Jemenitische geschiedenis: nieuwe bovenlokale autoriteit werkt alleen wanneer zij lokale machtsverhoudingen weet te verbinden aan een groter legitimiteitsmodel.
4.5 Wat bleef bestaan na de islamisering?
Veel bestaande structuren verdwenen niet. Ten eerste bleven tribale namen, territoria en genealogieën politiek relevant. Dresch wijst erop dat Hashid en Bakil al vóór het Zaydi-imamaat bestonden en dat meerdere noordelijke stamverbanden vanaf het begin van de islamitische periode herkenbaar blijven. Ten tweede bleef waterbeheer lokaal georganiseerd: de islam introduceerde nieuwe rechtsconcepten, maar irrigatie, terrassen en collectieve onderhoudsplichten konden niet eenvoudig worden vervangen door een centrale administratie. Ten derde bleven bemiddeling, bescherming en garanties belangrijk omdat de praktische noodzaak ervan niet verdween met religieuze verandering.
Ten vierde bleven markten en regionale handelsroutes bestaan, al veranderden de belastingstelsels en politieke centra. Ten vijfde bleef sociale status gekoppeld aan genealogie, maar de islam voegde nieuwe bronnen van prestige toe: nabijheid tot de profeet, religieuze kennis, deelname aan de veroveringen en geleerdheid. Hierdoor ontstonden nieuwe elites naast oude. De komst van sayyid-families in latere eeuwen is daar een voorbeeld van. Hun legitimiteit was religieus-genealogisch, maar zij moesten lokaal beschermd worden en onderhandelen met stammen die hun eigen oudere territoriale rechten bezaten.
4.6 Wat veranderde wél fundamenteel?
Continuïteit betekent niet dat islamisering oppervlakkig was. Het religieuze vocabulaire veranderde radicaal: de Qur’an, gebed, zakat, moskeeën en islamitisch recht vormden een nieuw normatief kader. De politieke horizon werd groter: Jemen maakte deel uit van een gemeenschap die zich binnen enkele decennia over het Nabije Oosten uitbreidde. Arabisch werd steeds belangrijker als taal van religie, bestuur en geleerdheid. De oude Zuid-Arabische schrijftalen verdwenen geleidelijk uit openbaar schriftgebruik, terwijl lokale talen en dialecten sporen van oudere taalstructuren behielden. Janet Watson heeft zelfs beargumenteerd dat sommige hedendaagse Jemenitische Arabische variëteiten kenmerken kunnen bewaren die beter als voortzetting van Zuid-Arabische patronen met een Arabische overlay kunnen worden begrepen dan als louter ‘standaard-Arabisch met accent’. (Watson, 2018.)
Ook de kalender van heiligheid veranderde. Oude tempelculten verdwenen, terwijl moskeeën, geleerden, graven van heilige personen en later Zaydi of soefi-instellingen nieuwe religieuze geografische punten werden. Toch bleef het principe van beschermde of gerespecteerde ruimte in sommige regio’s herkenbaar. De vorm veranderde, maar de sociale behoefte aan neutrale plekken voor handel, leren en bemiddeling bleef bestaan. Dat is een goed voorbeeld van institutionele continuïteit zonder te beweren dat een islamitische hijra eenvoudig dezelfde instelling was als een pre-islamitisch heiligdom.
4.7 Jemenieten buiten Jemen: veroveringen, migratie en nieuwe steden
Jemenitische stammen speelden een belangrijke rol in de vroege islamitische veroveringen en vestigden zich in nieuwe garnizoenssteden en provincies. Namen van Hamdan, Madhhij, Kinda, Azd en andere Zuid-Arabische groepen verschijnen in Irak, Syrië, Egypte en verder. Dresch merkt op dat Jemenitische tribale namen door de expansie van de islam van Spanje tot Centraal-Azië konden opduiken. Migratie veranderde ook Jemen zelf: sommige groepen verloren een deel van hun militaire bevolking, terwijl contacten met Kufa, Fustat en andere centra nieuwe ideeën, geldstromen en religieuze netwerken terugbrachten.
Voor de latere ontwikkeling van sjiitische en Zaydi sympathieën in delen van Jemen zijn de relaties met Irak belangrijk, maar men moet oppassen voor een rechte lijn van ‘vroege steun aan Ali’ naar de moderne Houthis. Tussen de zevende en eenentwintigste eeuw liggen dertien eeuwen van doctrinaire, sociale en politieke verandering. Wat wél historisch relevant is, is dat Alidische legitimiteit in Jemen een vruchtbare bodem vond in een samenleving waar genealogie en religieuze autoriteit beide politieke betekenis hadden.
4.8 Umayyaden en Abbasiden: integratie zonder totale homogenisering
Na de eerste islamitische expansie werd Jemen formeel onderdeel van grotere kalifale staten. Gouverneurs werden aangesteld, belastingen geïnd en steden opgenomen in imperiale netwerken. Maar de afstand tot Damascus en later Bagdad, de bergachtige geografie en lokale machtsstructuren betekenden dat controle ongelijk bleef. De New Cambridge History of Islam beschrijft voor de eerste islamitische eeuwen een afwisseling van kalifale vertegenwoordiging, lokale dynastieën, religieuze bewegingen en regionale machtscentra. Jemen werd dus islamitisch geïntegreerd zonder politiek homogeen te worden.
Kharijitische/Ibaditische, sjiitische en andere oppositiebewegingen vonden in verschillende perioden aanhang. Dat was niet omdat Jemen ‘van nature opstandig’ zou zijn, maar omdat perifere gebieden ruimte boden aan rivaliserende legitimiteitsclaims en omdat lokale groepen nieuwe religieuze talen konden gebruiken in conflicten met fiscale of militaire macht. Dezelfde logica is elders in de islamitische wereld zichtbaar.
4.9 Al-Hadi ila’l-Haqq en het Zaydi-imamaat vanaf 897
Een beslissende ontwikkeling vond plaats aan het einde van de negende eeuw. Yahya ibn al-Husayn, bekend als al-Hadi ila’l-Haqq, kwam vanuit het noordelijke Arabische gebied naar Sa’da en vestigde daar in 897 een Zaydi-imamaat. In de overlevering wordt zijn komst verbonden met een uitnodiging om tribale geschillen te bemiddelen. Dat motief is historisch betekenisvol, ook wanneer men de precieze details bronkritisch behandelt: de imam presenteerde zich niet alleen als veroveraar, maar als geleerde, rechter en Alidische leider die boven lokale rivaliteiten een normatieve orde kon bieden. (Dresch, 1993; Encyclopaedia Iranica, ‘Shi‘ites in Arabia’.)
Zaydi politieke theorie verschilde van zowel soennitisch dynastiek kalifaat als het latere twaalver-sjiitische model van Iran. Een imam moest afstammen van Hasan of Husayn, religieuze kennis bezitten en actief aanspraak maken op leiderschap. De positie was in theorie niet automatisch erfelijk van vader op zoon. In de praktijk ontstonden wel machtige sayyid-dynastieën en familielijnen. De imam had bovendien tribale militaire steun nodig. Daardoor ontstond een langdurige wederzijdse afhankelijkheid: stammen konden een imam maken of breken; de imam kon arbitrage, religieuze legitimiteit, titels en toegang tot bredere politieke orde bieden.
4.10 Zaydi en Shafi‘i: een religieuze kaart zonder eeuwige sektarische oorlog
Vanaf de middeleeuwen ontwikkelde zich een globale religieuze geografie waarin Zaydi gemeenschappen sterk waren in de noordelijke en centrale hooglanden, terwijl Shafi‘i soennitische tradities dominant waren in veel kustgebieden, de Tihama, Taiz, Ibb, Aden en Hadramawt. Die verdeling was reëel, maar zij mag niet worden vertaald naar een permanente frontlijn. Handel, huwelijk, studie, migratie en politieke samenwerking staken sektarische grenzen over. Dynastieën regeerden vaak over gemengde bevolkingen en pragmatische allianties waren normaal.
Deze geschiedenis is belangrijk voor het heden omdat de oorlog sinds 2004 vaak achteraf als een eeuwenoude soennitisch-sjiitische strijd wordt voorgesteld. Brandt laat juist zien dat de recente sektarisering van Sa’da samenhing met moderne ontwikkelingen: de verspreiding van salafisme in een Zaydi kerngebied, politieke marginalisering, patronage, staatsgeweld en Zaydi revival. Het sektarische element is dus echt, maar het is historisch geproduceerd en versterkt, niet simpelweg een onveranderlijke erfenis uit 897. (Brandt, 2017, hfdst. 4.)
4.11 Sulayhiden en koningin Arwa: Isma‘ilisme, Fatimiden en Jemenitische staatsvorming
In de elfde en twaalfde eeuw bouwden de Sulayhiden een machtig Isma‘ilitisch regime op dat verbonden was met het Fatimidische kalifaat in Caïro. De bekendste figuur is Arwa bint Ahmad al-Sulayhi, die vanuit Jibla langdurig politieke en religieuze invloed uitoefende. Haar regering doorbreekt het cliché dat middeleeuws Jemen uitsluitend door tribale mannen en bergimams werd bestuurd. De Sulayhidische staat steunde op steden, landbouwinkomsten, handelsroutes en religieuze netwerken en kon tijdelijk grote delen van Jemen verbinden.
Samer Traboulsi en andere onderzoekers hebben laten zien dat ook de herinnering aan Arwa later door verschillende religieuze en politieke tradities is gevormd. Voor een historische analyse is zij vooral belangrijk omdat haar periode laat zien dat Zaydi macht nooit de enige vorm van islamitische politiek in Jemen was. Isma‘ilitische, soennitische en Zaydi dynastieën bestonden naast en tegen elkaar, en elk moest zich tot lokale stammen en regionale handel verhouden.
4.12 Ayyubiden en Rasuliden: militaire verovering, handel en geleerd bestuur
In 1173 begon de Ayyubidische verovering van Jemen onder Turanshah, een broer van Saladin. De Ayyubidische aanwezigheid bracht Jemen sterker in verbinding met Egypte en de Rode Zee-politiek. Aan het begin van de dertiende eeuw namen de Rasuliden de macht over. De Rasulidische periode, vooral vanuit Taiz en Zabid, wordt door historici vaak gezien als een tijd van relatief sterke staatsvorming, landbouwontwikkeling, handelscontacten en wetenschappelijke productie. G. Rex Smiths werk op basis van de kroniek van Ibn Hatim is een fundamentele bron voor deze overgang. (Smith, 1974; Smith, 1997.)
Rasulidische heersers verzamelden kennis over landbouw, belastingen, astronomie en geografie. Daniel Varisco’s onderzoek naar Rasulidische teksten heeft laten zien hoe rijk de administratieve en agrarische kennisproductie in middeleeuws Jemen was. Dat is relevant voor een antikoloniale historiografie: kennis over Jemen begon niet met Britse cartografen of Europese reizigers. Lokale staten documenteerden al eeuwen eerder gewassen, markten, wegen en productieregio’s vanuit hun eigen bestuurlijke behoeften.
4.13 Tahiriden en de vooravond van de Ottomaanse periode
In de vijftiende eeuw namen de Tahiriden delen van het Rasulidische machtsgebied over. Hun macht was geconcentreerd in het zuiden en midden, terwijl Zaydi imams en verschillende lokale machthebbers in het noorden actief bleven. De zestiende eeuw bracht nieuwe externe druk: Portugese zeemacht bedreigde routes in de Indische Oceaan en Rode Zee; de Mamlukken en vervolgens de Ottomanen wilden controle over de maritieme toegang tot de Hidjaz en de specerijenhandel. Daarmee begon een nieuwe fase waarin Jemen tegelijk lokaal gefragmenteerd en internationaal strategisch belangrijk was.
4.14 Wat de islam veranderde én behield: een samenvattend model
De komst van de islam kan het beste worden begrepen als een diepe religieuze en politieke transformatie die bovenop bestaande sociale structuren werkte. De oude staatsculten verdwenen; de Qur’an en islamitisch recht werden normatief; Arabisch werd de dominante schrift- en geleerdentaal; Jemen werd onderdeel van een enorme islamitische wereld; nieuwe religieuze elites en dynastieën ontstonden. Tegelijk bleven territoriale gemeenschappen, genealogieën, irrigatieverplichtingen, lokale bemiddeling, marktnetwerken en regionale verschillen bestaan. Sommige werden zelfs door de nieuwe orde opnieuw bevestigd of kregen een islamitische juridische vorm.
Dat dubbele proces — verandering én continuïteit — is essentieel voor Joy Enaits filosofische benadering. Het voorkomt twee tegenovergestelde fouten. De eerste is de koloniale mythe van een tijdloze stamcultuur die nooit verandert. De tweede is de modernistische mythe dat een nieuwe religie, dynastie of staat alles wat daarvoor bestond volledig wegvaagt. Jemen toont juist hoe nieuwe politieke talen oude sociale infrastructuren gebruiken, veranderen en soms versterken. Hetzelfde patroon zal later terugkeren bij het Zaydi-imamaat, de Ottomanen, de Britten, de republiek, het Saleh-regime en uiteindelijk ook bij de Houthi-beweging.
5. De Ottomanen: twee imperiale perioden
Eerste Ottomaanse periode: zestiende en zeventiende eeuw
De eerste grote Ottomaanse veroveringsfase in Jemen begon in de zestiende eeuw, vaak gedateerd vanaf 1538, in een bredere strijd om de Rode Zee tegen Portugese zeemacht en om de bescherming van routes naar de Hidjaz. Ottomaanse bevelhebbers als Özdemir Pasha en later Sinan Pasha probeerden kusthavens, laaglanden en hooglanden onder imperiale controle te brengen. De geografie maakte dat buitengewoon moeilijk: bergwegen, beperkte bevoorrading, ziekte en lokaal verzet maakten Jemen berucht als kostbaar grensgebied.
Zaydi leiders vormden de kern van langdurig verzet. Al-Mutahhar ibn Sharaf al-Din leidde in de zestiende eeuw grote campagnes tegen de Ottomanen. In het begin van de zeventiende eeuw bouwde al-Qasim al-Mansur een nieuwe imamitische beweging op, waarna zijn zoon al-Mu’ayyad Muhammad de Ottomanen uiteindelijk uit het grootste deel van Jemen verdreef. Rond 1635 begon de Qasimidische periode van onafhankelijke imamitische macht. Deze episode is belangrijk voor later politiek geheugen: de gedachte dat hooglandgemeenschappen externe legers kunnen uitputten, werd een terugkerend motief in Jemenitische geschiedenis.
Tweede Ottomaanse periode: 1872–1918
In de negentiende eeuw keerden de Ottomanen terug, eerst met wisselende invloed in kustgebieden en vanaf 1872 met een nieuwe verovering van Sana’a en formele inrichting van de provincie Yemen. Ahmed Muhtar Pasha was een belangrijke militaire figuur in die herovering. Het rijk probeerde belastingheffing, garnizoenen, administratieve hervormingen en nieuwe infrastructuur uit te breiden. Tegelijk bleef de effectieve greep ongelijk: stedelijke centra, routes en garnizoensplaatsen waren iets anders dan duurzame controle over elke hooglandgemeenschap.
De Hamid al-Din-imams werden de belangrijkste Zaydi tegenmacht. Imam al-Mansur Muhammad en vooral zijn zoon Yahya Hamid al-Din mobiliseerden tegen Ottomaanse centralisatie. De overeenkomst van Da’an uit 1911 wordt vaak beschreven als een verdrag dat Imam Yahya grote autonomie gaf. M. Şükrü Hanioğlu heeft die interpretatie genuanceerd: volgens zijn onderzoek bleef de toegekende devolutie beperkter en beschouwden de Ottomaanse autoriteiten Yahya niet als een gelijkwaardige soeverein. Die discussie laat zien waarom woorden als “autonomie”, “soevereiniteit” en “verdrag” nooit neutrale labels zijn. (Hanioğlu, 2018.)
Toen het Ottomaanse Rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog uit Jemen vertrok, nam Imam Yahya in het noorden veel voormalige Ottomaanse instellingen, wapens en territoriale aanspraken over en bouwde het Mutawakkilitische Koninkrijk Jemen uit. Dit is een voorbeeld van een breder post-imperiaal patroon: antikoloniale of anti-imperiale overwinning betekent niet dat de institutionele erfenis van het rijk verdwijnt. Belastingen, grenzen, administratieve categorieën en militaire infrastructuur kunnen door nieuwe machthebbers worden geërfd.
6. Groot-Brittannië in Aden: haven, protectoraat en koloniale kennis
De bezetting van 1839
In januari 1839 bezetten Britse troepen Aden. De haven lag strategisch op de route tussen India, de Rode Zee en later het Suezkanaal. Onder Brits bestuur ontwikkelde Aden zich van een relatief kleine nederzetting tot een belangrijk handels-, kolen-, marine- en communicatiecentrum. Zaki Hanna Kour beschrijft in zijn SOAS-onderzoek hoe Britse bestuurders aanvankelijk beweerden de betrokkenheid met het binnenland beperkt te willen houden, maar door geografische, economische en politieke belangen steeds dieper relaties met naburige stammen aangingen. (Kour, 1975.)
De formele structuur veranderde door de tijd. Aden werd vanuit Brits-Indië bestuurd, vanaf 1937 als afzonderlijke Crown Colony, terwijl een netwerk van verdragen met sultans, shaykhs en stamverbanden het Aden Protectorate vormde. De Library of Congress dateert de systematisering van dat protectoraat vanaf 1886, toen afzonderlijke verdragen Groot-Brittannië tot een “paramount power” maakten die interne autonomie formeel liet bestaan maar buitenlandse relaties, territoriale overdracht en conflicten steeds sterker kon sturen. Dit was indirect rule: niet overal direct bestuur, maar macht via verdragen, subsidies, grensafspraken en selectieve militaire interventie.
FOTO 2 — Aden in 1960
De havenstad Aden in de late koloniale periode, zeven jaar vóór onafhankelijkheid.
Archiefbeeld: pizzodisevo, september 1960, Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Aden01_flickr.jpg
Opmerking: de bron en licentie zijn opgenomen zodat het originele beeld controleerbaar en herbruikbaar blijft.
Grenzen als imperiale techniek
Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw stonden de Britten in het zuiden en de Ottomanen in het noorden tegenover elkaar. Grenscommissies probeerden een lijn te trekken door gebieden waar lokale politieke en economische relaties niet netjes in Europese cartografische categorieën pasten. Die demarcatie hielp later het onderscheid tussen Noord- en Zuid-Jemen verharden. Een Joy Enait-bril vraagt hier niet alleen “waar liep de grens?”, maar “welke menselijke relaties werden door die lijn vertaald in twee imperiale zones, en wie kreeg de macht om die vertaling juridisch geldig te maken?”
Koloniale kennis was onderdeel van dit proces. Britse functionarissen lieten genealogieën, routes, wapencapaciteit, leiders, conflicten en waterbronnen documenteren. H.F. Jacob en andere politieke officieren combineerden taal- en streekkennis met inlichtingenwerk. Zulke archieven zijn vandaag onmisbaar voor historici, maar hun categorieën weerspiegelen het doel waarvoor zij zijn gemaakt. Wanneer een stam in een rapport als “loyaal”, “onrustig” of “fanatiek” werd gekarakteriseerd, kon dat concrete gevolgen hebben voor subsidies, strafexpedities en bestuur.
Aden: kosmopolitische stad en koloniale ongelijkheid
Aden was niet alleen een militaire buitenpost. De haven trok Arabische, Somalische, Indiase, Joodse en andere handels- en arbeidersgemeenschappen. De stad werd een knooppunt van arbeidsmigratie, scheepvaart en politieke ideeën. Juist daar groeiden vakbonden en nationalistische bewegingen. Na de Tweede Wereldoorlog nam het conflict over Britse overheersing toe. De oprichting van de Federation of South Arabia moest Britse belangen en lokale vorstendommen in een nieuwe staatsvorm combineren, maar nationalistische organisaties verwierpen de federatie als voortzetting van koloniale controle.
Tijdens de Aden Emergency vanaf 1963 vochten met name het National Liberation Front (NLF) en het Front for the Liberation of Occupied South Yemen (FLOSY) tegen de Britten en ook tegen elkaar. Groot-Brittannië trok zich op 30 november 1967 terug. Qahtan al-Shaabi werd de eerste president van de nieuwe People’s Republic of South Yemen. De onafhankelijkheid beëindigde de formele Britse heerschappij, maar niet automatisch de economische afhankelijkheid, sociale breuken of grensproblemen die onder het koloniale systeem waren gegroeid.
7. Noord en Zuid: revoluties, burgeroorlog en Koude Oorlog
Het noorden: monarchie, coup en burgeroorlog
Imam Yahya regeerde het Mutawakkilitische Koninkrijk tot zijn moord tijdens de constitutionele revolte van 1948. Zijn zoon Ahmad heroverde de macht en regeerde tot 1962. Na Ahmads dood volgde Muhammad al-Badr hem op, maar enkele dagen later pleegden republikeinse officieren onder leiding van Abdullah al-Sallal de revolutie van 26 september 1962. De Yemen Arab Republic werd uitgeroepen. Daarmee begon een burgeroorlog tussen republikeinen en royalisten die tot 1970 duurde.
De oorlog werd een regionaal Koude-Oorlogachtig conflict. Gamal Abdel Nasser stuurde tienduizenden Egyptische militairen ter ondersteuning van de republikeinen; Saoedi-Arabië steunde de royalisten uit angst voor revolutionair Arabisch nationalisme aan zijn zuidgrens. De oorlog kostte Egypte zwaar en beïnvloedde zijn regionale positie vóór 1967. Voor Jemen betekende hij dat binnenlandse staatsvorming al vroeg werd verweven met externe patronage. De republiek overleefde, maar moest na het vertrek van Egypte nieuwe compromissen met tribale elites, religieuze groepen en voormalige royalistische netwerken sluiten.
Het zuiden: socialistische staat
In het zuiden zette het NLF na 1967 zijn rivalen opzij. Qahtan al-Shaabi werd in 1969 afgezet; Salim Rubai Ali, Abdul Fattah Ismail en andere radicale leiders bewogen de staat richting marxisme-leninisme. In 1970 werd de naam People’s Democratic Republic of Yemen (PDRY). Het zuiden werd de enige expliciet marxistische staat op het Arabisch Schiereiland en ontwikkelde nauwe relaties met de Sovjet-Unie en andere socialistische landen. Hervormingen richtten zich onder meer op land, onderwijs, vrouwenrechten en nationalisering, maar de staat kende ook autoritaire repressie, partijstrijd en emigratie van delen van de commerciële elite.
De interne machtsstrijd culmineerde in de bloedige gebeurtenissen van januari 1986 in Aden. President Ali Nasir Muhammad raakte in conflict met rivalen rond Abdul Fattah Ismail en Ali Salim al-Beidh; duizenden stierven en grote aantallen zuidelijke kaderleden vluchtten naar het noorden. De crisis verzwakte de PDRY juist toen de Sovjetsteun door perestrojka en de naderende Koude-Oorlogse omwenteling minder zeker werd. Eenwording met Noord-Jemen werd daardoor aantrekkelijker, maar de machtsbalans tussen beide staten was ongelijk.
Een antikoloniale analyse moet hier voorkomen dat “anti-Westers” automatisch gelijkgesteld wordt aan “bevrijdend”. De PDRY ontstond uit een antikoloniale strijd tegen Groot-Brittannië, maar bouwde daarna zelf een gecentraliseerde partijstaat met dwang en eigen hiërarchieën. De Joy Enait-bril vraagt dus niet om het ene kamp moreel te zuiveren, maar om soevereiniteit en macht op meerdere niveaus te onderzoeken.
8. Eenwording, de oorlog van 1994 en het Saleh-systeem
1990: één republiek, twee staatsapparaten
Op 22 mei 1990 verenigden de Yemen Arab Republic en de PDRY zich als Republic of Yemen. Ali Abdullah Saleh, sinds 1978 president van Noord-Jemen, werd president; Ali Salim al-Beidh uit het zuiden werd vice-president. Formeel ontstond een pluralistische republiek met verkiezingen en een gedeelde regering. In werkelijkheid moesten twee legers, bureaucratieën, politieke culturen en patronagenetwerken worden samengevoegd. De ontdekking en exploitatie van olie in grensgebieden verhoogde de inzet.
De machtsdeling brak snel af. Politieke moorden, wantrouwen en strijd over hervormingen leidden in 1994 tot oorlog. Zuidelijke leiders kondigden een nieuwe Democratische Republiek Jemen af, maar noordelijke troepen en bondgenoten wonnen. Salehs overwinning centraliseerde de macht in Sana’a. Voor veel zuiderlingen werd de naoorlogse periode geassocieerd met ontslagen uit leger en overheid, landconflicten, de overname van bedrijven en een gevoel dat eenwording in feitelijke annexatie was veranderd. Die grieven voedden vanaf 2007 de Southern Movement, al-Hirak.
Saleh: “dansen op de koppen van slangen”
Salehs systeem steunde minder op een sterke bureaucratische staat dan op het beheren van rivaliserende netwerken: legeronderdelen, veiligheidsdiensten, tribale shaykhs, zakenmensen, islamisten en regionale elites. Familieleden en vertrouwelingen kregen sleutelposities. Sheikh Abdullah ibn Husayn al-Ahmar, leider van de Hashid-confederatie en medeoprichter van de Islah-partij, was tegelijk bondgenoot en zelfstandige machtsfactor. Generaal Ali Mohsen al-Ahmar bouwde eveneens een eigen militair-politiek netwerk op.
Het voordeel van dit systeem was flexibiliteit; het nadeel was dat staatsinstellingen vaak ondergeschikt bleven aan persoonlijke patronage. Geld uit olie, buitenlandse steun en Saoedische relaties kon loyaliteiten kopen, maar zodra middelen slonken of rivalen zich bedreigd voelden, werden dezelfde netwerken bronnen van fragmentatie. Dat vormt een cruciale achtergrond voor de Houthi-opstand: het conflict kwam niet uit een historisch vacuüm van “oude stammenhaat”, maar uit concrete strijd over religieuze invloed, ontwikkeling, militaire repressie en de verdeling van staatsmacht.
FOTO 3 — Oud Sana’a
De karakteristieke hoogbouw van de oude stad — een herinnering dat Sana’a niet pas met de moderne republiek een politiek en stedelijk centrum werd.
Archiefbeeld: Hasso Hohmann, 2019, Wikimedia Commons, CC BY 4.0
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sanaa,_Yemen_(7).jpg
Opmerking: de bron en licentie zijn opgenomen zodat het originele beeld controleerbaar en herbruikbaar blijft.
9. De geboorte van de Houthi-beweging en de Saada-oorlogen
Zaydi revival en de Believing Youth
De Houthi-beweging, officieel Ansar Allah, ontstond niet simpelweg als “Iraanse proxy”. Haar lokale wortels liggen in de Zaydi-gemeenschappen van het noordwesten en in een culturele en religieuze revival vanaf de jaren tachtig en negentig. De beweging al-Shabab al-Mu’min, de “Believing Youth”, organiseerde onderwijs en zomerkampen om Zaydi identiteit en religieuze kennis te versterken. Families van Zaydi geleerden, waaronder Badr al-Din al-Houthi en zijn zonen, speelden daarin een belangrijke rol. (Carnegie, 2012; Schmitz/MEI; Dresch/Lackner.)
Hussein Badr al-Din al-Houthi, voormalig parlementslid voor Hizb al-Haqq, werd eind jaren negentig en begin jaren 2000 een centrale politieke stem. Zijn aanhangers combineerden klachten over economische marginalisering van Saada, verzet tegen de uitbreiding van door Saoedi-Arabië beïnvloed salafisme in Zaydi gebieden en vijandige slogans tegen de Verenigde Staten en Israël. Het Saleh-regime zag de beweging steeds meer als bedreiging. Toen de overheid in 2004 Hussein wilde arresteren, brak open oorlog uit. Hussein werd in september 2004 gedood, maar de opstand ging door.
Zes Saada-oorlogen, 2004–2010
Tussen 2004 en 2010 volgden zes oorlogsronden in Saada en omliggende gebieden. De precieze aanleiding van elke ronde en wie welk incident begon is niet altijd eenduidig; Carnegie heeft erop gewezen dat het te eenvoudig is het conflict vanaf het begin als Saoedisch-Iraanse proxy-oorlog te beschrijven. Staatsrepressie, lokale rivaliteiten en identiteitskwesties droegen zelf bij aan radicalisering en uitbreiding van de beweging. Abdul-Malik al-Houthi, een jongere broer van Hussein, groeide uit tot leider.
In 2009 raakte Saoedi-Arabië rechtstreeks bij gevechten betrokken nadat Houthi-strijders de grens overstaken en Saoedische posities aanvielen. De Saoedische luchtmacht voerde aanvallen uit. Tegen 2010 was Ansar Allah militair gehard, met kennis van bergachtig terrein en een narratief van verzet tegen zowel Sana’a als buitenlandse inmenging. Ironisch genoeg had een oorlog die bedoeld was om de beweging te vernietigen haar organisatorische identiteit verdiept.
FOTO 4 — Houthi-demonstratie in Sana’a, 2015
Demonstratie tegen luchtaanvallen van de door Saoedi-Arabië geleide coalitie, 4 september 2015.
Archiefbeeld: Henry Ridgwell / Voice of America, via Wikimedia Commons, publiek domein in de VS
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Houthis_protest_against_airstrikes_1.png
Opmerking: de bron en licentie zijn opgenomen zodat het originele beeld controleerbaar en herbruikbaar blijft.
10. 2011–2015: opstand, mislukte transitie en regionale interventie
De opstand van 2011
In 2011 sloten studenten, jongeren, activisten, islamisten, zuidelijke demonstranten, Houthi-aanhangers en voormalige regimefiguren zich om uiteenlopende redenen aan bij massaprotesten tegen Saleh. Na dodelijk geweld tegen demonstranten liep generaal Ali Mohsen over naar de oppositie. De Golfstaten bemiddelden een overgangsregeling waarin Saleh uiteindelijk zijn presidentschap overdroeg aan vicepresident Abd Rabbu Mansur Hadi, die in 2012 als enige kandidaat in een overgangsverkiezing werd bevestigd. Saleh behield echter partij, netwerk en militaire invloed.
National Dialogue Conference en het federalismeprobleem
De National Dialogue Conference van 2013–2014 probeerde een nieuwe staatsorde te ontwerpen met vertegenwoordigers van vele politieke groepen. Het proces leverde brede aanbevelingen op maar loste kernvragen over macht, leger, zuidelijke autonomie en regionale grenzen niet op. Een plan om Jemen in zes federale regio’s te verdelen stuitte op Houthi-verzet, onder andere omdat hun noordelijke kerngebied volgens hen van strategische en economische toegang zou worden afgesneden. Ook zuidelijke actoren verschilden onderling over de gewenste vorm van autonomie of onafhankelijkheid.
Tegelijk verslechterde de economie. Brandstofsubsidies werden verminderd, corruptie bleef zichtbaar en de transitie ontmantelde het oude machtsnetwerk niet. Ansar Allah profiteerde van lokale conflicten en van een pragmatische, paradoxale samenwerking met hun voormalige vijand Saleh. Delen van het oude leger die aan Saleh loyaal waren, vergemakkelijkten de Houthi-opmars. In september 2014 namen Houthi-eenheden Sana’a in.
2015: van staatscrisis naar regionale oorlog
Begin 2015 zetten de Houthis president Hadi verder onder druk. Hadi vluchtte uiteindelijk naar Aden en later naar Saoedi-Arabië. Terwijl Houthi- en Saleh-gelieerde troepen zuidwaarts oprukten, vroeg Hadi om buitenlandse militaire steun. Op 26 maart 2015 begon een door Saoedi-Arabië geleide coalitie, met onder andere de Verenigde Arabische Emiraten, een luchtoorlog met het verklaarde doel de internationaal erkende regering te herstellen en de Houthi-opmars terug te dringen. De Verenigde Staten boden logistieke, inlichtingen- en andere ondersteuning. (CRS, 2025; GAO, 2022.)
Vanaf dit moment was de oorlog tegelijk burgeroorlog, regionale interventie en strijd om de staatsopvolging. De Houthi-Saleh-alliantie hield Sana’a en grote delen van het noorden. Anti-Houthi krachten waren onderling verdeeld: Hadi-getrouwe troepen, lokale milities, Islah-netwerken, zuidelijke separatisten, door de VAE gesteunde eenheden en anderen. Al-Qaeda in the Arabian Peninsula (AQAP) profiteerde tijdelijk van het machtsvacuüm en beheerste in 2015–2016 delen van Hadramawt, waaronder Mukalla. Dat onderstreept hoe misleidend het is de oorlog als twee kampen te tekenen.
2017–2022: breuk met Saleh, STC en bevroren fronten
In december 2017 brak de alliantie tussen Saleh en Ansar Allah. Saleh riep op tot een nieuwe verhouding met de coalitie; enkele dagen later werd hij door Houthi-strijders gedood. De Houthis consolideerden daarop hun bestuursapparaat in Sana’a. In het zuiden groeide de Southern Transitional Council (STC), gesteund door de VAE, uit tot een eigen militaire en politieke macht die op gespannen voet stond met Hadi’s regering. In 2019 vochten anti-Houthi bondgenoten zelfs openlijk tegen elkaar rond Aden.
In april 2022 werd een door de VN bemiddelde wapenstilstand van kracht. Hoewel die formeel later afliep, bleven grootschalige frontlinies geruime tijd relatief rustig. Hadi droeg zijn bevoegdheden over aan een Presidential Leadership Council (PLC) onder Rashad al-Alimi. Saoedi-Arabië voerde directe gesprekken met Ansar Allah. De oorlog was echter niet opgelost: salarissen, havens, olie-inkomsten, wegen, gevangenen, staatsstructuur en de toekomst van het zuiden bleven omstreden.
11. Iran, Saoedi-Arabië, VAE, Verenigde Staten en Rusland
Iran: materiële steun, ideologische nabijheid — maar geen volledige controle
Iran heeft Ansar Allah door de jaren heen steeds omvangrijker ondersteund met wapentechnologie, onderdelen, training, expertise en politieke steun. VN-expertpanels beschrijven smokkelnetwerken en externe toevoer van militaire en dual-use goederen; het rapport S/2025/650 concludeerde dat de Houthis hun regionale en internationale supply chains hebben gediversifieerd en dat voortdurende externe steun hun gevechtsvermogen ondersteunt. Eerdere VN-rapporten noemden technische hulp, training, wapens en financiële steun uit Iran en door Iran gelieerde netwerken. (UN Panel of Experts, 2024, 2025.)
Tegelijk is “Iraanse marionet” analytisch te grof. De beweging heeft een eigen Jemenitische geschiedenis, sociale basis, leiderschap en belangen. Zij nam Sana’a in 2014 niet omdat Iran een buitenlandse eenheid simpelweg verplaatste, maar via binnenlandse allianties, het verval van de transitie en de samenwerking met Saleh-netwerken. Iran kan capaciteiten en strategische opties vergroten zonder elke operationele beslissing te bepalen. Deze nuance is essentieel als men zowel buitenlandse interventie als lokale verantwoordelijkheid serieus wil nemen.
Saoedi-Arabië: grensveiligheid, regionale macht en een kostbare interventie
Voor Saoedi-Arabië is Jemen tegelijk buurland, veiligheidsbuffer en historisch invloedsterrein. Riyad steunde in de jaren zestig royalisten tegen Nasseristische republikeinen, onderhield later financiële relaties met tribale en politieke elites en zag de opkomst van een door Iran gesteunde gewapende beweging aan zijn grens als strategische bedreiging. De interventie van 2015 moest volgens de coalitie de erkende regering herstellen. In de praktijk werd de campagne langdurig, duur en humanitair verwoestend.
Coalitie-luchtaanvallen raakten herhaaldelijk civiele doelen en infrastructuur; importbeperkingen, controles en gevechten rond havens vergrootten economische en humanitaire druk. Tegelijk heeft Saoedi-Arabië grote hoeveelheden humanitaire en financiële steun verstrekt. Beide feiten kunnen tegelijk waar zijn. Een antikoloniale analyse verliest geloofwaardigheid wanneer zij de ene vorm van buitenlandse macht kritisch onderzoekt maar een andere alleen als “hulp” of “verzet” beschrijft.
De Verenigde Arabische Emiraten: zuid, kust en lokale partners
De VAE waren een kernlid van de coalitie, maar bouwden een eigen netwerk van lokale troepen en politieke partners op, vooral in het zuiden en langs de kust. Abu Dhabi steunde de STC en veiligheidseenheden die niet eenvoudig onder het gezag van Hadi of later de PLC vielen. De Emiratische agenda omvatte bestrijding van jihadistische groepen, terugdringing van Islah/Moslimbroederschap-invloed en invloed rond havens en zeeroutes. Daardoor ontstond een tweede laag van fragmentatie binnen het anti-Houthi kamp.
Verenigde Staten: bondgenootschappen, contraterrorisme en directe aanvallen
De Amerikaanse rol veranderde door de tijd. Voor en tijdens de burgeroorlog voerde Washington een afzonderlijke campagne tegen AQAP, onder meer met droneaanvallen. Vanaf 2015 ondersteunden de VS de door Saoedi-Arabië geleide coalitie met inlichtingen, logistiek, onderhoud, wapens en aanvankelijk ook bijtanken in de lucht. De Amerikaanse Government Accountability Office berekende dat het Department of Defense in 2015–2021 ten minste 54,6 miljard dollar aan militaire steun aan Saoedi-Arabië en de VAE administreerde, grotendeels via defensieverkopen en diensten, en stelde vast dat Amerikaanse instellingen onvoldoende hadden vastgesteld in welke mate die steun aan burgerslachtoffers had bijgedragen. (GAO-22-105988.)
Na de Houthi-aanvallen op internationale scheepvaart vanaf oktober 2023 gingen de VS en bondgenoten over tot onderschepping en aanvallen op Houthi-doelen. In het voorjaar van 2025 intensiveerde Washington de campagne. Oman maakte op 6 mei 2025 bekend een Amerikaans-Houthi staakt-het-vuren te hebben bemiddeld: beide partijen zouden elkaar, inclusief Amerikaanse schepen in de Rode Zee en Bab al-Mandab, niet aanvallen. Dat was geen algemeen vredesakkoord voor Jemen. In september 2026 meldde Reuters dat Washington bij de nieuwe Saoedisch-Houthi escalatie wel inlichtingen en targeting assistance aan Riyad bood maar geen directe Amerikaanse luchtaanvallen toezegde. (Omani Foreign Ministry, 2025; Reuters, 14 september 2026.)
Rusland: historische Zuid-Jemenrelaties en hedendaagse diplomatie
De Sovjet-Unie was tijdens de Koude Oorlog een belangrijke partner van de PDRY. Het hedendaagse Rusland heeft echter een veel beperktere militaire rol in de Jemenoorlog dan Iran, Saoedi-Arabië, de VAE of de VS. Moskou onderhoudt contacten met de internationaal erkende autoriteiten én met Ansar Allah en gebruikt de VN-Veiligheidsraad vooral om een inclusief politiek proces, territoriale eenheid van Jemen en vermindering van blokkades en beperkingen op humanitaire toegang te bepleiten. In verklaringen van juli, augustus en september 2026 stelde de Russische VN-missie dat Ansar Allah deel van een politieke regeling moet zijn en dat er geen militaire oplossing is. (Permanent Mission of Russia to the UN, 13 juli, 13 augustus, 10 en 15 september 2026.)
Die positie is ook geopolitiek: Rusland bekritiseert Amerikaanse en westerse druk en presenteert diplomatieke inclusiviteit als alternatief. Maar uit de geraadpleegde betrouwbare bronnen volgt niet dat Rusland in dezelfde categorie als Iran kan worden geplaatst als directe wapenleverancier aan de Houthis. Een zorgvuldige analyse onderscheidt retorische/diplomatieke positionering van aantoonbare operationele steun.
12. Rode Zee, Gaza-context, 2025 en de escalatie van 2026
Van interne wapenstilstand naar regionale zeestrijd
Na oktober 2023 begon Ansar Allah schepen in en rond de Rode Zee aan te vallen en presenteerde dit als solidariteitsactie met Palestijnen in de Gazaoorlog en als drukmiddel tegen Israël. In de praktijk werden meerdere commerciële schepen met uiteenlopende eigendoms- en handelsrelaties geraakt of bedreigd. Scheepvaartbedrijven weken uit rond Kaap de Goede Hoop, waardoor reistijden, verzekeringspremies en kosten stegen. De Bab al-Mandab werd opnieuw zichtbaar als mondiale chokepoint — precies de strategische logica die Aden in de negentiende eeuw voor Groot-Brittannië zo belangrijk had gemaakt.
Amerikaanse, Britse en later Israëlische aanvallen op Houthi-doelen internationaliseerden de confrontatie verder. Voor Ansar Allah leverde de Rode Zee-campagne binnen de regio politieke zichtbaarheid en een narratief van “verzet” op; voor tegenstanders bevestigde zij dat een gewapende beweging met geavanceerde raketten en drones internationale handelsroutes kon bedreigen. De beide frames — “solidariteit/verzet” en “bedreiging van vrije scheepvaart” — beschrijven verschillende aspecten van dezelfde handelingen, maar geen van beide mag burgerslachtoffers, juridische vragen of Jemenitische binnenlandse machtsverhoudingen onzichtbaar maken.
2025: Amerikaans-Houthi staakt-het-vuren
Oman meldde in mei 2025 dat de VS en de autoriteiten in Sana’a een staakt-het-vuren waren overeengekomen waarbij zij elkaar niet zouden aanvallen, inclusief Amerikaanse schepen. Dit beperkte een bepaald front maar loste de Jemenitische burgeroorlog niet op. Het illustreert hoe de oorlog uit verschillende overlappende lagen bestaat: een conflict tussen Jemenitische partijen, een Saoedisch-Houthi veiligheidsconflict, een Amerikaans-Houthi maritiem conflict en een bredere regionale confrontatie waarin Iran en Israël een rol spelen.
September 2026: opnieuw een bewegend front
De stand van zaken op 17 september 2026 is zeer fluïde. Reuters berichtte dat Saoedi-Arabië en Ansar Allah opnieuw aanvallen uitwisselen, dat Houthi-troepen langs de Rode Zeekust terrein hebben gewonnen en dat luchtaanvallen en raket- en droneaanvallen zich hebben uitgebreid. Reuters en UNHCR meldden midden september dat meer dan 100.000 mensen door de hernieuwde gevechten waren ontheemd, terwijl anderen per boot naar Djibouti probeerden te vluchten. Zulke aantallen zijn momentopnames: bij actieve oorlogvoering kunnen zij binnen dagen veranderen. (Reuters, 15 en 17 september 2026.)
De recente escalatie onderstreept een kernpunt: een “bevroren conflict” is geen vrede. De institutionele en economische oorzaken — verdeelde centrale bankfuncties, salarissen, olie-inkomsten, territoriale legitimiteit, zuidelijke afscheidingsvragen, buitenlandse militaire steun en regionale veiligheidsdilemma’s — bleven aanwezig onder de relatieve rust. Wanneer de regionale context verandert, kunnen deze onopgeloste breuken opnieuw militair worden geactiveerd.
13. Waarom de humanitaire crisis zo diep is
De schaal in 2026
OCHA schatte in het Humanitarian Needs and Response Plan 2026 dat meer dan 22 miljoen mensen in Jemen humanitaire hulp of bescherming nodig hebben. Daaronder bevinden zich 5,2 miljoen intern ontheemden. Ongeveer 18,3 miljoen mensen verkeren in acute voedselonzekerheid. Meer dan 2,2 miljoen kinderen jonger dan vijf jaar zijn acuut ondervoed, waaronder meer dan een half miljoen met ernstige acute ondervoeding; daarnaast worden circa 1,3 miljoen zwangere of borstvoedende vrouwen als ondervoed verwacht. 14,4 miljoen mensen hebben hulp op het gebied van water, sanitatie en hygiëne nodig en slechts 59,3 procent van de gezondheidsvoorzieningen functioneert volledig. (OCHA Yemen HNRP 2026.)
Humanitaire kerncijfers — OCHA 2026
• >22 miljoen mensen hebben hulp/bescherming nodig
• 5,2 miljoen intern ontheemden
• 18,3 miljoen acuut voedselonzeker
• >2,2 miljoen kinderen <5 acuut ondervoed
• 516.157 kinderen met ernstige acute ondervoeding
• 14,4 miljoen mensen hebben WASH-hulp nodig
• slechts 59,3% van de gezondheidsvoorzieningen volledig functioneel
Bron: OCHA, Yemen Humanitarian Needs and Response Plan 2026 (maart 2026).
1. Jemen importeert voedsel — oorlog maakt toegang duurder
Jemen produceert onvoldoende voedsel om zijn bevolking te voeden en is sterk afhankelijk van import. Daarom hebben havenwerking, inspecties, blokkades, verzekeringskosten, valutakoersen en brandstofprijzen direct effect op broodprijzen en huishoudbudgetten. Honger is hier niet simpelweg het gevolg van “te weinig voedsel in de wereld”. Het is een crisis van toegang en koopkracht. Wanneer een salaris uitblijft, de munt daalt of transportkosten stijgen, kan voedsel fysiek in een haven aanwezig zijn en toch onbereikbaar worden voor een gezin.
2. Een gesplitste economie
De oorlog creëerde rivaliserende instituties en monetaire zones. De internationaal erkende overheid verplaatste de centrale bank naar Aden; de Houthi-autoriteiten behielden eigen regulering in het noorden. Valutawaardes en regels divergeerden. Olie-export, de belangrijkste bron van overheidsinkomsten, werd door conflict en aanvallen ernstig verstoord. Ambtenarensalarissen bleven in veel gebieden onregelmatig of onbetaald. Zo wordt economische oorlog een vorm van dagelijks geweld: niet altijd zichtbaar als explosie, maar merkbaar in voedsel, huur, medicijnen en schoolkosten.
3. Gezondheidszorg, water en epidemieën
Gezondheidsinstellingen hebben te maken met beschadigde infrastructuur, stroomuitval, gebrek aan salarissen, medicijnen en apparatuur. Water- en rioleringssystemen zijn eveneens beschadigd of ondergefinancierd. Daardoor worden cholera, mazelen en andere infectieziekten gevaarlijker. Ondergewicht verzwakt kinderen, waardoor een behandelbare infectie dodelijk kan worden. De humanitaire crisis is dus cumulatief: voedseltekort, vervuild water en een verzwakt zorgstelsel versterken elkaar.
4. Luchtaanvallen, beschietingen, mijnen en explosieve resten
Directe oorlogsschade blijft een eigen oorzaak. Luchtaanvallen van de coalitie veroorzaakten door de jaren heen grote aantallen burgerslachtoffers en troffen wegen, bruggen, markten, woningen en andere infrastructuur. Houthi-beschietingen, raketten, drones, landmijnen en willekeurige of disproportionele aanvallen van verschillende strijdende partijen hebben eveneens burgers getroffen. Explosieve oorlogsresten blijven gevaarlijk lang nadat een front verschuift. Kinderen en boeren lopen daardoor risico op plaatsen die officieel niet meer “frontlinie” zijn.
5. Humanitaire toegang en detentie van hulpverleners
Hulporganisaties opereren in een gefragmenteerd politiek landschap waarin vergunningen, controle, veiligheid en lokale macht hun bereik bepalen. De detentie van VN- en hulpverleners door Houthi-autoriteiten heeft operaties in het noorden zwaar bemoeilijkt. Tegelijk leiden visumbeperkingen, gevechten en financieringstekorten in andere gebieden tot gaten in hulp. Humanitaire neutraliteit wordt kwetsbaar wanneer partijen hulp als politieke bron, legitimiteit of veiligheidsrisico behandelen.
6. Klimaat en waterstress als vermenigvuldiger
Jemen behoort tot de landen met ernstige waterstress. Klimaatverandering, onregelmatige regenval, overstromingen en droogte werken boven op oorlogsschade. Qat-teelt verbruikt in sommige gebieden veel grondwater, maar het waterprobleem kan niet tot één gewas worden gereduceerd: slecht bestuur, pomptechnologie, bevolkingsgroei, beschadigde infrastructuur en gebrek aan investeringen spelen eveneens een rol. Klimaat is dus een “threat multiplier”, niet een afdoende verklaring voor de oorlog.
Waarom burgers de geopolitieke prijs betalen
De kern is dat de middelen waarmee staten en gewapende bewegingen druk op elkaar uitoefenen — havens, luchtruim, valuta, salarissen, energie, wegen, importen en hulpkanalen — dezelfde systemen zijn waarvan burgers afhankelijk zijn. Internationale actoren spreken vaak in termen van “maritieme veiligheid”, “afschrikking”, “regionale invloed” of “strategische diepte”. Die begrippen zijn reëel, maar abstraheren menselijke gevolgen. De Joy Enait-vraag is dan: wiens veiligheid telt in de dominante taal? De veiligheid van een containerroute kan wereldwijd onmiddellijk economische aandacht krijgen, terwijl de veiligheid van een ondervoed kind in Hodeidah of Taiz minder geopolitieke macht heeft.
Dat betekent niet dat vrije scheepvaart onbelangrijk is of dat Houthi-aanvallen op burgerlijke schepen mogen worden gebagatelliseerd. Het punt is juist dat een analyse meerdere vormen van veiligheid tegelijk moet zien: zeevarenden, handelsroutes, Saoedische burgers onder raketdreiging, Jemenitische burgers onder luchtaanvallen, hulpverleners in detentie en gezinnen zonder salaris. Een antikoloniale lens is het sterkst wanneer zij universele menselijke waardigheid hanteert en niet alleen de hiërarchie van slachtoffers omdraait.
14. De Joy Enait-bril: macht, taal, soevereiniteit en continuïteit
“Verleden bepaalt heden” — maar niet mechanisch
Op de Joy Enait-site staat de zin “Verleden bepaalt heden.” Toegepast op Jemen betekent dit niet dat de oorlog van 2015 onvermijdelijk uit de gebeurtenissen van 1839 of 897 voortvloeide. Geschiedenis is geen lot. Het betekent wel dat hedendaagse actoren opereren in instituties, grenzen, herinneringen en ongelijkheden die ouder zijn dan de huidige crisis. De grens tussen noord en zuid, de koloniale positie van Aden, het Zaydi-imamaat, de Koude-Oorlogse tweedeling, de patronagestaat van Saleh en de Saada-oorlogen vormen allemaal lagen waarop nieuwe keuzes worden gemaakt.
Wie krijgt een naam?
In veel internationale verslaggeving worden de Houthis bij naam genoemd terwijl andere Jemenitische actoren verdwijnen in categorieën als “government forces”, “tribes” of “Saudi-backed groups”. Omgekeerd gebruikt Houthi-propaganda brede labels voor tegenstanders — “agressie”, “huurlingen”, “Amerikaans-Zionistisch” — die interne verschillen uitwissen. Britse koloniale rapporten deden iets soortgelijks wanneer zij hele gemeenschappen reduceerden tot “loyaal” of “onrustig”. Taal is nooit alleen beschrijving; zij verdeelt legitimiteit.
Waar begint het verhaal?
Wie Jemen in 2015 laat beginnen, maakt de Saoedische interventie en Iraanse steun zichtbaar maar mist de Saada-oorlogen, de transitie van 2011 en het Saleh-netwerk. Wie in 2004 begint, mist de Zaydi geschiedenis en de republikeinse staatsvorming. Wie in 1839 begint, maakt Groot-Brittannië onbedoeld tot de schepper van de Jemenitische geschiedenis. Daarom begint dit essay bij de oude Zuid-Arabische wereld. Dat is niet nostalgie; het corrigeert een chronologie waarin Europa automatisch de maat van historische tijd wordt.
Antikolonialisme zonder romantiek
Een consistente antikoloniale benadering moet ook kritisch zijn tegenover macht die zichzelf als “verzet” presenteert. Ansar Allah heeft een lokale sociale basis en kan niet adequaat als buitenlandse marionet worden begrepen; tegelijk heeft de beweging een autoritair bestuursapparaat opgebouwd, tegenstanders onderdrukt, hulpverleners vastgezet en aanvallen uitgevoerd die burgers en commerciële scheepvaart in gevaar brengen. De Saoedische coalitie kan legitieme grensveiligheidszorgen hebben gehad; dat maakt disproportionele aanvallen of economische druk niet automatisch legitiem. Iran kan zich presenteren als anti-imperiale tegenmacht; dat wist zijn eigen project van regionale invloed niet uit. De VS kunnen vrije scheepvaart en contraterrorisme nastreven; dat ontslaat Washington niet van verantwoordelijkheid om gevolgen van militaire steun en eigen aanvallen te onderzoeken.
Hetzelfde geldt historisch voor de Ottomanen en Groot-Brittannië. Het Ottomaanse Rijk was geen Brits koloniaal model met dezelfde raciale en economische structuur, maar wel een imperiale macht die troepen, belastingen en bestuur oplegde. Britse macht in Aden combineerde directe koloniale overheersing met indirecte verdragsmacht in het achterland. Een analytisch sterke antikoloniale geschiedenis maakt die verschillen zichtbaar zonder het woord “imperium” betekenisloos breed te maken.
Soevereiniteit van beneden naar boven
De belangrijkste uitkomst van deze bril is misschien dat soevereiniteit niet alleen een vlag, VN-zetel of erkende president is. Voor een dorpsgemeenschap kan soevereiniteit betekenen dat waterbronnen, wegen, lokale afspraken en veiligheid niet door een verre elite worden opgeofferd. Voor een zuiderling kan zij verbonden zijn met de herinnering aan een eigen staat. Voor een Houthi-aanhanger kan zij weerstand tegen buitenlandse luchtaanvallen betekenen. Voor een tegenstander van de Houthis kan dezelfde term juist bescherming tegen hun gedwongen bestuur betekenen. Die pluraliteit maakt nation-building moeilijk, maar hoeft niet tot eeuwige oorlog te leiden als politieke instituties macht werkelijk delen.
15. Conclusie
Jemen is niet begrijpelijk als een “eeuwenoude sektarische oorlog”. De huidige crisis is het resultaat van veel recentere politieke processen die zich op oudere historische lagen hebben afgezet: de bouw en val van twee republieken, een onvoltooide eenwording, patronage onder Saleh, zuidelijke marginaliseringsgrieven, de Zaydi revival, zes Saada-oorlogen, de opstand van 2011, een mislukte transitie, de Houthi-Saleh alliantie, de machtsovername van 2014 en de regionale interventie vanaf 2015. Iran, Saoedi-Arabië, de VAE, de VS en in andere vorm Rusland beïnvloeden het conflict, maar geen van hen verklaart Jemen volledig.
De humanitaire ramp is evenmin een natuurramp die toevallig samenvalt met oorlog. Zij wordt geproduceerd door de combinatie van direct geweld, economische fragmentatie, importafhankelijkheid, blokkades en beperkingen, verlies van salarissen, beschadigde zorg en watervoorziening, verplaatsing, epidemieën, klimaatstress en onvoldoende humanitaire financiering. Dat maakt burgerleed niet tot bijproduct, maar tot een centraal analytisch feit van de oorlog.
Door de Joy Enait-filosofie als methode te gebruiken verschuift de vraag van “waarom lukt Jemen niet om modern te worden?” naar preciezere vragen: wie definieerde moderniteit; wie trok grenzen; wie kreeg internationale erkenning; wie beheerde havens, wapens en geld; wie werd in bronnen als probleem geclassificeerd; en welke lokale vormen van orde zijn genegeerd? Die vragen leveren geen eenvoudig kamp op dat “gelijk” heeft. Ze maken wel zichtbaar dat menselijke waardigheid en politieke agency vaak verloren raken wanneer geschiedenis uitsluitend vanuit de cockpit, de ambassade, de vlootroute of de grootmacht wordt verteld.
Een duurzame toekomst voor Jemen kan daarom niet uitsluitend worden ontworpen als militaire nederlaag van één kamp. Zij vereist een politieke ordening waarin de reële machtsverhoudingen worden erkend zonder geweld te belonen; waarin noordelijke en zuidelijke claims, lokale autonomie, nationale instituties, inkomsten en veiligheid onderhandelbaar worden; waarin regionale machten afzien van het behandelen van Jemen als bufferzone; en waarin burgers niet langer de betaalmethode van geopolitiek zijn. Dat is geen voorspelling van wie zal winnen. Het is de historische les die uit de opeenvolging van rijken, revoluties, interventies en mislukte centralisaties naar voren komt.
Bijlage A — Chronologie in hoofdlijnen
Periode
Gebeurtenis
1e millennium v.Chr.
Opkomst van Zuid-Arabische koninkrijken; Saba ontwikkelt een centrum rond Marib en Sirwah.
ca. 8e–3e eeuw v.Chr./n.Chr.
Intensieve wierookhandel; irrigatie en stedelijke ontwikkeling in Saba en andere koninkrijken.
ca. 3e–6e eeuw n.Chr.
Himyar domineert; religieuze verschuiving naar monotheïsme; Aksumitische en later Sasanische interventie.
ca. 630
Integratie van Zuid-Arabië in de vroege islamitische politieke wereld.
897
Al-Hadi Yahya ibn al-Husayn vestigt een Zaydi-imamaat in Saada.
1170s–1454
Ayyubidische en daarna Rasulidische dynastieën; Taiz en Zabid belangrijke centra.
1538–1635
Eerste grote Ottomaanse periode; hevig Zaydi verzet; Qasimiden verdrijven Ottomanen.
1839
Britse bezetting van Aden.
1872
Tweede Ottomaanse verovering van Sana’a en institutionalisering van de provincie Yemen.
1886
Uitbouw van het Aden Protectorate via verdragen met lokale heersers en stammen.
1911
Da’an-overeenkomst tussen Ottomanen en Imam Yahya; omvang van autonomie is historisch omstreden.
1918
Ottomaanse terugtrekking; Imam Yahya consolideert het Mutawakkilitische Koninkrijk.
1948
Imam Yahya vermoord; Imam Ahmad herstelt monarchale macht.
1962
Revolutie in Noord-Jemen; Yemen Arab Republic; burgeroorlog met Egyptische en Saoedische interventie.
1963–1967
Aden Emergency en antikoloniale strijd in Brits Zuid-Arabië.
30 nov 1967
Britse terugtrekking; onafhankelijk Zuid-Jemen.
1970
Zuid-Jemen wordt People’s Democratic Republic of Yemen.
1978
Ali Abdullah Saleh wordt president van Noord-Jemen.
1986
Bloedige interne machtsstrijd in Zuid-Jemen.
22 mei 1990
Eenwording tot Republic of Yemen.
1994
Burgeroorlog; noordelijk geleide regering wint; zuidelijke grieven verdiepen.
vanaf 2004
Eerste Saada-oorlog; Hussein al-Houthi gedood; Ansar Allah groeit onder Abdul-Malik al-Houthi.
2004–2010
Zes Saada-oorlogen; Saoedi-Arabië raakt in 2009 direct betrokken.
2011
Massaprotesten tegen Saleh; regime valt uiteen.
2012
Abd Rabbu Mansur Hadi wordt overgangspresident.
2013–2014
National Dialogue Conference.
sep 2014
Houthis nemen Sana’a in, mede dankzij samenwerking met Saleh-netwerken.
mrt 2015
Saoedi-geleide coalitie start militaire interventie.
dec 2017
Breuk Houthi-Saleh; Saleh wordt gedood.
2019
STC en regeringstroepen botsen in het zuiden; anti-Houthi kamp zichtbaar verdeeld.
apr 2022
VN-bemiddelde wapenstilstand; Hadi draagt macht over aan Presidential Leadership Council.
vanaf okt 2023
Houthi-aanvallen op scheepvaart in Rode Zee in context van Gazaoorlog; internationale tegenaanvallen.
6 mei 2025
Oman kondigt staakt-het-vuren tussen VS en autoriteiten in Sana’a aan.
sep 2026
Nieuwe ernstige escalatie tussen Ansar Allah en Saoedi-/regeringskamp; >100.000 nieuwe ontheemden volgens Reuters/UNHCR midden september.
Bijlage B — Belangrijkste historische en politieke figuren
“Alle figuren” uit duizenden jaren Jemenitische geschiedenis kunnen in één essay niet letterlijk worden opgesomd. Deze tabel noemt daarom de voornaamste personen die nodig zijn om de machtswisselingen in dit essay te begrijpen, plus enkele figuren die representatief zijn voor een periode. Waar een figuur deels legendarisch is, wordt dat aangegeven.
Figuur
Periode/positie
Betekenis
Karib’il Watar
Saba, ca. 7e eeuw v.Chr.
Vroege Sabaeïsche vorst bekend uit inscripties; verbonden met expansie en staatsvorming.
Dhu Nuwas / Yusuf As’ar Yath’ar
Himyar, vroege 6e eeuw
Himyaritische koning, joodse koninklijke oriëntatie; conflict rond Najran leidde mede tot Aksumitische interventie.
Abraha
6e eeuw
Aksumitische machthebber in Zuid-Arabië; centrale figuur in late Himyaritische/Aksumitische fase.
Sayf ibn Dhi Yazan
6e eeuw / literaire traditie
Semi-legendarische figuur verbonden aan verzet tegen Aksum en Sasanische steun; historische en literaire lagen lopen door elkaar.
Al-Hadi Yahya ibn al-Husayn
859–911
Stichtte in 897 het Zaydi-imamaat in Saada.
Arwa al-Sulayhi
1048–1138
Belangrijke Sulayhidische vorstin; een van de bekendste vrouwelijke heersers in de middeleeuwse islamitische wereld.
Al-Malik al-Muzaffar Yusuf
Rasuliden, 13e eeuw
Rasulidische sultan; periode van sterke staat, wetenschap en handel.
Al-Mutahhar ibn Sharaf al-Din
16e eeuw
Zaydi leider van verzet tegen de eerste Ottomaanse bezetting.
Özdemir Pasha
16e eeuw
Ottomaanse bevelhebber betrokken bij vroege veroveringen in Jemen/Rode Zee.
Sinan Pasha
16e eeuw
Ottomaanse bevelhebber die imperiale controle opnieuw probeerde uit te breiden.
Al-Qasim al-Mansur
1559–1620
Grondlegger van de Qasimidische opstand tegen de Ottomanen.
Al-Mu’ayyad Muhammad
1582–1644
Qasimidische imam onder wie Ottomanen rond 1635 uit het grootste deel van Jemen werden verdreven.
Stafford Bettesworth Haines
1802–1860
Brits marineofficier betrokken bij de bezetting en vroege administratie van Aden.
Ahmed Muhtar Pasha
1839–1919
Ottomaanse commandant, belangrijk voor de herovering van Sana’a in 1872.
Imam al-Mansur Muhammad Hamid al-Din
1839–1904
Zaydi imam en tegenstander van Ottomaanse heerschappij.
Imam Yahya Hamid al-Din
1869–1948
Imam vanaf 1904; sloot Da’an-overeenkomst; na 1918 heerser van het Mutawakkilitische Koninkrijk.
Imam Ahmad bin Yahya
1891–1962
Zoon en opvolger van Yahya; regeerde het noorden tot 1962.
Muhammad al-Badr
1926–1996
Laatste imam/koning; afgezet bij republikeinse revolutie van 1962; royalistisch symbool in burgeroorlog.
Abdullah al-Sallal
1917–1994
Leider van de republikeinse coup van 1962; eerste president van de YAR.
Gamal Abdel Nasser
1918–1970
Egyptisch president; stuurde grootschalige militaire steun aan Noord-Jemenitische republikeinen.
Faisal bin Abdulaziz Al Saud
1906–1975
Saoedische koning; steunde royalistische tegenstanders van Nasseristische republiek.
Qahtan al-Shaabi
1920–1981
Eerste president van onafhankelijk Zuid-Jemen, 1967–1969.
Salim Rubai Ali
1935–1978
Zuid-Jemenitisch leider, 1969–1978.
Abdul Fattah Ismail
1939–1986
Marxistisch leider en ideoloog van de PDRY; centrale figuur in partijstrijd.
Ali Nasir Muhammad
1939–
President van de PDRY 1980–1986; partijstrijd mondde uit in burgeroorlog in Aden.
Ali Salim al-Beidh
1939–
Zuidelijke leider; vice-president na eenwording; leider van zuidelijke afscheidingspoging in 1994.
Ali Abdullah Saleh
1947–2017
President Noord-Jemen 1978–1990 en verenigd Jemen 1990–2012; bouwde patronagenetwerk; later bondgenoot en vervolgens vijand van Houthis.
Sheikh Abdullah ibn Husayn al-Ahmar
1933–2007
Prominente Hashid-shaykh en medeoprichter van Islah; spil tussen tribale en republikeinse politiek.
Ali Mohsen al-Ahmar
1945–
Generaal en lange tijd machtsfiguur; vocht tegen Houthis, liep in 2011 over naar oppositie; later vicepresident.
Badr al-Din al-Houthi
1926–2010
Zaydi geleerde en vader van Hussein en Abdul-Malik; invloedrijk in religieuze revival.
Hussein Badr al-Din al-Houthi
1959–2004
Voormalig parlementslid, ideologische leider van vroege Houthi-beweging; gedood in eerste Saada-oorlog.
Abdul-Malik al-Houthi
1979–
Leider van Ansar Allah na de vroege Saada-oorlogen; centrale figuur in huidige Houthi-staat en militaire strategie.
Abd Rabbu Mansur Hadi
1945–
President in overgangsperiode 2012–2022; vroeg in 2015 buitenlandse interventie.
Rashad al-Alimi
1954–
Voorzitter van de Presidential Leadership Council sinds 2022.
Aidarous al-Zubaidi
1967–
Leider van Southern Transitional Council; belangrijke zuidelijke separatistische machtsfactor.
Mohammed bin Salman
1985–
Saoedisch kroonprins; bepalende figuur in Saoedisch veiligheids- en Jemenbeleid vanaf midden jaren 2010.
Mohammed bin Zayed
1961–
President van de VAE; Emiratische strategie steunde zuidelijke en kustgebonden partners.
Ali Khamenei
1939–
Iraans hoogste leider; Iran ondersteunt Ansar Allah als onderdeel van bredere regionale strategie, zonder dat volledige operationele controle is aangetoond.
Hans Grundberg
1974–
VN-Speciaal Gezant voor Jemen sinds 2021; bemiddeling rond wapenstilstand en routekaart.
Martin Griffiths
1951–
VN-gezant 2018–2021; betrokken bij Stockholm Agreement en eerdere vredespogingen.
Ismail Ould Cheikh Ahmed
1960–
VN-gezant 2015–2018; leidde vroege onderhandelingen tijdens de regionale interventie.
Yahya Saree
ca. 1970s–
Militair woordvoerder van Ansar Allah; publiek gezicht van raket-, drone- en maritieme operaties.
Mahdi al-Mashat
1986–
Voorzitter van Houthi Supreme Political Council in Sana’a.
Bronnen en onderzoeksverantwoording
De bronnen hieronder combineren Joy Enaits eigen gepubliceerde onderzoeksbeschrijvingen met primaire/officiële documenten, academische literatuur, gespecialiseerde onderzoeksinstituten en recente verslaggeving. Enaits eigen materiaal wordt gebruikt als primaire bron voor zijn auteurspositie, onderzoeksvragen en antikoloniale interpretatiekader; historische en actuele feitelijke claims worden daarnaast gekruist met onafhankelijke academische, VN-, regerings- en nieuwsbronnen. Koloniale documenten worden als primaire bronnen gebruikt, maar niet als neutrale beschrijvingen. Recente politieke claims worden met datum weergegeven. Voor de uitgebreide hoofdstukken over oud en vroeg-islamitisch Jemen is bovendien gebruikgemaakt van recente epigrafische studies (Robin, Gajda, Stein), historische taalkunde (Watson), middeleeuwse Jemenstudies (G. Rex Smith) en antropologische/historische studies van tribale orde (Dresch, Weir, Brandt, Rodionov).
Joy Enait — auteur, Jemen-onderzoek en analysekader
Joy Enait. “Joy Enait.” Eigen profiel en onderzoeksbeschrijving. Vermeldt onderzoek in Jemen en beschrijft een diepgaand onderzoek naar de oorlog met bijzondere aandacht voor de Houthi-beweging en stammen. https://www.joyenait.nl/ (geraadpleegd 17 september 2026).
Joy Enait. “Profiel levensverhaal Joy Enait.” Vermeldt expliciet zijn onderzoek in Jemen als onderdeel van zijn antropologische en maatschappelijke ontwikkeling. https://www.joyenait.nl/profiel-levensverhaal-joy-enait (geraadpleegd 17 september 2026).
Joy Enait. “Youngantropoloog — Intro.” Auteurspagina waarop Enait zijn opleiding in culturele antropologie en religiewetenschappen en zijn onderzoekspraktijk toelicht. https://www.youngantropoloog.nl/ (geraadpleegd 17 september 2026).
Joy Enait. “Analyse Suriname — De Joy Enait-filosofie.” Publieke formulering van de antikoloniale methode: wie vertelt, wie benoemt, welke perspectieven domineren. https://www.joyenait.nl/analyse-suriname
Joy Enait. “Analyse Haïti.” Formuleert “Verleden bepaalt heden” en begint analyse vóór de hedendaagse crisis. https://www.joyenait.nl/analyse-haiti
Oude geschiedenis en lange duur
UNESCO World Heritage Centre. “Landmarks of the Ancient Kingdom of Saba, Marib.” https://whc.unesco.org/en/list/1700
Hoyland, Robert G. Arabia and the Arabs: From the Bronze Age to the Coming of Islam. Routledge, 2001.
Burrowes, Robert D. Historical Dictionary of Yemen, 2e ed. Scarecrow Press, 2010.
Dresch, Paul. A History of Modern Yemen. Cambridge University Press, 2000.
Tribes, clanstructuren en recht
Dresch, Paul. Tribes, Government, and History in Yemen. Oxford University Press, 1993. https://academic.oup.com/book/47974
Weir, Shelagh. A Tribal Order: Politics and Law in the Mountains of Yemen. University of Texas Press, 2007. https://utpress.utexas.edu/9780292714236/
An Account of the Arab Tribes in the Vicinity of Aden. Bombay Government Central Press, 1909. Library of Congress. https://www.loc.gov/item/ltf90029570/
Ottomaanse en Britse periode
Hanioğlu, M. Şükrü. “Contract or Treaty? The Daʿʿan Agreement of 1911 and the limits on Imam Yahya’s authority.” Journal of Arabian Studies 8(1), 2018, 25–46. https://doi.org/10.1080/21534764.2018.1529223
Kour, Zaki Hanna. The Development of Aden and British Relations With Neighbouring Tribes, 1839–1872. PhD, SOAS, 1975. https://doi.org/10.25501/SOAS.00034037
Brehony, Noel. Yemen Divided: The Story of a Failed State in South Arabia. I.B. Tauris, 2011.
Day, Stephen W. Regionalism and Rebellion in Yemen. Cambridge University Press, 2012.
Houthi-beweging, burgeroorlog en buitenlandse rollen
Carnegie Endowment. “Yemen’s Sectarian Spring” (2012). https://carnegieendowment.org/sada/2012/05/yemens-sectarian-spring
Congressional Research Service. “Yemen: Conflict, Red Sea Attacks, and U.S. Policy,” updated 17 april 2025. https://www.congress.gov/crs_external_products/IF/PDF/IF12581/IF12581.15.pdf
U.S. Government Accountability Office. GAO-22-105988, Yemen: State and DOD Need Better Information on Civilian Impacts of U.S. Military Support to Saudi Arabia and the United Arab Emirates, 15 juni 2022. https://www.gao.gov/products/gao-22-105988
UN Security Council, Panel of Experts on Yemen. Final report S/2024/731. https://digitallibrary.un.org/record/4079905/files/S_2024_731-EN.pdf
UN Security Council, Panel of Experts on Yemen. Report S/2025/650. https://main.un.org/securitycouncil/en/sanctions/2140/panel-of-experts/work-and-mandate/reports
Omani Foreign Ministry. “Oman announces ceasefire agreement between Washington and Sanaa,” 6 mei 2025. https://www.fm.gov.om/en/24568/
Permanent Mission of the Russian Federation to the UN. Verklaringen over Jemen, 13 juli, 13 augustus, 10 en 15 september 2026. https://russiaun.ru/en/news/313072026 ; https://russiaun.ru/en/news/yemen_130826 ; https://russiaun.ru/en/news/yemen_100926 ; https://russiaun.ru/en/news/15092026
Lackner, Helen. Yemen in Crisis: Autocracy, Neo-Liberalism and the Disintegration of a State. Saqi, 2017; latere edities.
Phillips, Sarah. Yemen and the Politics of Permanent Crisis. Routledge/IISS, 2011.
Humanitaire situatie en actuele stand 2026
OCHA Yemen. Yemen Humanitarian Needs and Response Plan 2026, maart 2026. https://yemen.un.org/en/312711-ocha-yemen-yemen-humanitarian-needs-and-response-plan-2026-march-2026
Reuters. “Yemen conflict displaces over 100,000 people, UN says,” 15 september 2026. https://www.reuters.com/world/middle-east/yemen-conflict-displaces-over-100000-people-un-says-2026-09-15/
Reuters. “Saudis and Houthis exchange strikes, Yemenis take to boats to flee as Middle East war spreads,” 17 september 2026. https://www.reuters.com/world/middle-east/trump-hopes-iran-war-nearing-end-houthi-saudi-fighting-escalates-2026-09-17/
Reuters. “How Yemen’s Houthis went from a small mountain militia to a big regional threat,” 17 september 2026. https://www.reuters.com/world/middle-east/how-yemens-houthis-went-small-mountain-militia-big-regional-threat-2026-09-17/
Qat: geschiedenis, samenleving, landbouw en gezondheid
Weir, Shelagh. Qat in Yemen: Consumption and Social Change. British Museum Publications, 1985.
Varisco, Daniel Martin. “Stimulants sans Sin: A Social History of Qat, Coffee and Tobacco in Yemen.” Updated research paper, 2026.
Elie, Serge Dominique. “State Mediation of Qat Consumption in Yemen: The Political Socialization of the National Polity.” Global Journal of Anthropology Research 2(2), 2015, pp. 26–52.
Koch, Marcus A. et al. Historical evidence on Catha edulis cultivation and dispersal. American Journal of Botany, 2017; historical references summarized in the article.
World Bank. Yemen Country Climate and Development / agriculture and water analyses, 2024. Document P180386 and related water-sector assessment.
World Bank. Yemen Agriculture Sector Study for Food and Nutrition Security, 2026. Document P500616.
UK Parliament, Hansard. “Qat”, 7 July 1959; “Qat (Import And Sale)”, 19 April 1962.
United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC). “Khat”, Plant-based substances, Laboratory and Scientific Service.
Hassan, N.A.G.M., A.A. Gunaid & I.M. Murray-Lyon. “Khat (Catha edulis): health aspects of khat chewing.” Eastern Mediterranean Health Journal 13(3), 2007.
Al-Motarreb, Ahmed, Kathryn Baker & Kenneth J. Broadley. “Khat: pharmacological and medical aspects and its social use in Yemen.” Phytotherapy Research 16(5), 2002, pp. 403–413.
IARC. “Qat Chewing and Risk of Potentially Malignant and Malignant Oral Disorders: A Systematic Review.” International Agency for Research on Cancer reference page.
“Qat Consumption among Women Living in Yemen.” Cross-sectional study of women in Sana’a city and governorate, open-access via PubMed Central.
Beeldverantwoording
Archieffoto / fotobron A — “Chewing qat in Yemen”, Sana’a, 20 maart 2010, Okansoyluturk, CC BY-SA 4.0. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Chewing_qat_in_Yemen.jpg
Archieffoto / fotobron B — “Khat (Catha edulis) farms”, Radaa district, Yemen, 20 juli 2007, Dralkamel, CC BY-SA 4.0. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Khat_(Catha_edulis)_farms.jpg
Archieffoto / fotobron C — “Aden Lahej Meeting”, Lahej Conference 1930, Government of Aden / UK National Archives collection, public domain. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Aden_Lahej_Meeting.JPG
Archieffoto / fotobron D — “Old sanaa.jpg”, Antti Salonen, 16 februari 2009, CC BY-SA 3.0. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Old_sanaa.jpg
Technische beeldnoot: de drie onderzoeksfiguren in de qat-sectie zijn daadwerkelijk in dit Word-bestand ingebed. De hierboven genoemde Commons-foto’s zijn als geverifieerde fotobronnen opgenomen met licentie en directe bronpagina; wanneer externe Word-afbeeldingen worden geblokkeerd, blijven de bronlinks beschikbaar.
Foto 1 — Ancient Ma’rib 01.jpg: Bernard Gagnon, 18 augustus 1986, CC BY-SA 3.0. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Ancient_Ma%27rib_01.jpg
Foto 2 — Aden01 flickr.jpg: pizzodisevo, september 1960, CC BY-SA 2.0. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Aden01_flickr.jpg
Foto 3 — Sanaa, Yemen (7).jpg: Hasso Hohmann, 2019, CC BY 4.0. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sanaa,_Yemen_(7).jpg
Foto 4 — Houthis protest against airstrikes 1.png: Henry Ridgwell / Voice of America, 4 september 2015, publiek domein in de Verenigde Staten. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Houthis_protest_against_airstrikes_1.png
Technische noot bij het beeldmateriaal
De online archiefbeelden zijn in dit bestand als volledig gecrediteerde fotokaders met controleerbare bronlinks opgenomen. Dit voorkomt dat een beeld zonder licentie- of herkomstinformatie in de historische analyse terechtkomt. De vier genoemde bestanden zijn Creative-Commons of publiek-domeinbronnen en kunnen via de opgegeven bronpagina in hun originele resolutie worden geraadpleegd.
Aanvullende historische, epigrafische en antropologische literatuur voor de uitgebreide hoofdstukken
Robin, Christian Julien. “Before Ḥimyar: Epigraphic Evidence for the Kingdoms of South Arabia.” In Greg Fisher (red.), Arabs and Empires before Islam. Oxford University Press, 2015, pp. 90–126.
Robin, Christian Julien. “Ḥimyar, Aksūm, and Arabia Deserta in Late Antiquity: The Epigraphic Evidence.” In Greg Fisher (red.), Arabs and Empires before Islam. Oxford University Press, 2015, pp. 127–171.
Gajda, Iwona. Le royaume de Ḥimyar à l’époque monothéiste: l’histoire de l’Arabie du Sud ancienne de la fin du IVe siècle jusqu’à l’avènement de l’islam. Académie des Inscriptions et Belles-Lettres, 2009.
Gajda, Iwona. “Remarks on Monotheism in Ancient South Arabia.” In Carol Bakhos & Michael Cook (red.), Islam and its Past: Jahiliyya, Late Antiquity, and the Qur’an. Oxford University Press, 2017, pp. 247–256.
Gajda, Iwona. “Religions of Ancient South Arabia From Polytheism to Monotheism in the Context of Political, Economic and Social Evolutions (Fourth–Sixth Centuries CE).” Arabian Archaeology and Epigraphy, 2026. DOI: 10.1111/aae.70017.
Stein, Peter. “Palaeography of the Ancient South Arabian Script: New Evidence for an Absolute Chronology.” Arabian Archaeology and Epigraphy 24(2), 2013.
Korotayev, Andrey. Pre-Islamic Yemen: Socio-political Organization of the Sabaean Cultural Area in the 2nd and 3rd Centuries AD. Harrassowitz, 1996.
Watson, Janet C. E. “South Arabian and Arabic Dialects.” In Clive Holes (red.), Arabic Historical Dialectology. Oxford University Press, 2018, pp. 316–334.
Piotrovsky, Mikhail B. “Late Ancient and Early Mediaeval Yemen: Settlement Traditions and Innovations.” In The Byzantine and Early Islamic Near East: Land Use and Settlement Patterns. Gerlach Press; Cambridge Core digitale editie, 2025.
Smith, G. Rex. Studies in the Medieval History of the Yemen and South Arabia. Variorum/Routledge, 1997.
Smith, G. Rex. Ayyubids and Early Rasulids in the Yemen (567–694 AH / 1173–1295 AD), met editie en studie van Ibn Hatims Kitab al-Simt. E. J. W. Gibb Memorial Trust, 1974/1978.
Serjeant, R. B. “The Interplay between Tribal Affinities and Religious (Zaydi) Authority in the Yemen.” al-Abhath 30, 1982.
Rodionov, Mikhail. The Western Hadramawt: Ethnographic Field Research, 1983–91. Orientwissenschaftliche Hefte 24, 2007.
Rodionov, Mikhail. “Contemporary Tribal Versions of Local History in Hadramawt.” Proceedings of the Seminar for Arabian Studies 41 (2011): 333–339.
Knysh, Alexander. “The Sada in History: A Critical Essay on Hadrami Historiography.” Journal of the Royal Asiatic Society 9(2), 1999; Cambridge online edition 2009.
Brandt, Marieke. Tribes and Politics in Yemen: A History of the Houthi Conflict. Oxford University Press, 2017 (latere herdrukken).
Brandt, Marieke. “Inhabiting Tribal Structures: Leadership Hierarchies in Tribal Upper Yemen (Hamdan and Khawlan b. Amir).” In Tribes in Modern Yemen / Austrian Academy research publication, ca. 2018.
Salisbury, Peter. Yemen: Corruption, Capital Flight and Global Drivers of Conflict. Chatham House, 2013.
Dresch, Paul. Tribes, Government, and History in Yemen. Oxford University Press, 1993.
Weir, Shelagh. A Tribal Order: Politics and Law in the Mountains of Yemen. University of Texas Press, 2007.
Robinson, Chase F. (red.). The New Cambridge History of Islam, Vol. 1: The Formation of the Islamic World, Sixth to Eleventh Centuries. Cambridge University Press, 2010.
Bronkritische slotnoot
Geen enkele bron is volledig perspectiefloos. VN-rapporten zijn institutionele documenten; regeringsverklaringen vertegenwoordigen regeringsposities; Russische, Amerikaanse, Saoedische, Iraanse of Houthi-uitspraken zijn geen neutrale beschrijvingen; koloniale archieven zijn gevormd door bestuursdoelen; nieuwsmedia werken onder tijdsdruk. Daarom is de interpretatie in dit essay opgebouwd door bronnen met verschillende functies te kruisen. Waar een motief of intentie omstreden is, wordt die niet als bewezen innerlijke bedoeling gepresenteerd. Waar recente gebeurtenissen nog veranderen, worden datum en bron expliciet genoemd.